Moeilijke Bijbelteksten: wat was de Mozesberg?

In de serie Moeilijke Bijbelteksten behandelt Bijbelleraar Marco van Putten in korte artikelen onderwerpen uit de Bijbel die moeilijk worden gevonden. Dit artikel gaat over vragen over de berg Horeb in de SinaĆÆwoestijn.
Het leeuwendeel van de boeken Exodus, Leviticus en Numeri gaan over gebeurtenissen tijdens het verblijf van de Israëlieten bij de berg Horeb in de Sinaïwoestijn. God bevond Zich op die berg en daarom moesten de Israëlieten daar zijn. Maar toch is vanuit de Bijbel over deze berg niet veel bekend.
Waar lag de berg Horeb?
Uitgaande van de hedendaagse geografie zijn maar een klein aantal plaatsen mogelijk. De belangrijkste bergketen ligt in het uiterste zuiden van het SinaĆÆschiereiland met een uitloper in noordwestelijke richting naar Egypte. Verder zijn er nog enkele bergformaties in het noordoosten, hoewel die verhoudingsgewijs erg klein zijn en veel minder hoog.
Traditioneel wordt aangenomen dat Horeb de zogenoemde Mozesberg (Jebel Moesa) is met een indrukwekkende hoogte van zoān 2285 meter. Deze is gelegen in het uiterste zuiden van het SinaĆÆ bergmassief. Toch is die berg niet evident. Maar misschien is het belangrijker om te overwegen waar de berg voor staat.
Woordstudie
De Hebreeuwse naam āHorebā komt van de werkwoordstam charav dat meerdere betekenissen heeft, zoals āverwoestingā, āverdrogingā en āverlatenheidā. Het woord Horeb komt 17* voor in de Bijbel, waarvan de meeste keren (9*) in het boek Deuteronomium.
Een andere benaming is āberg Godsā, maar dat beperkt zich niet tot deze specifieke berg (Ps 68:16). Dan is er ook de benaming āberg SinaĆÆā, dat 19* in de Bijbel voorkomt waarvan al 10* in het boek Exodus. Sommigen denken dat dit een andere berg was dan Horeb, maar in de Bijbel is daarvoor onvoldoende basis. Het woord SinaĆÆ heeft een onzekere oorsprong, maar lijkt te komen van het woord Sin dat āmaanā zou betekenen.
De berg Gods
De eerste keer dat Horeb genoemd wordt is wanneer Mozes de kuddedieren van zijn schoonvader Jetro nabij die berg hoedde (Ex 3:1). Dit is opvallend, want Jetro woonde in het land Midjan waarvan wordt aangenomen dat het ten oosten van het hedendaagse Eilat, dus in Noord-ArabiĆ« ā het huidige JordaniĆ« ā lag. Niet op het SinaĆÆ schiereiland dus. Toch zijn er vermoedens dat Midjanitische herders toen ook naar de SinaĆÆ trokken om hun vee te laten grazen.
Roeping van Mozes
Omdat Jetro priester van God was (2:16), kon Mozes weten dat er een berg Gods in de SinaĆÆ lag. Op zoān heilige plek zouden bijzondere verschijningen, zoals een brandende doornstruik, niet vreemd zijn. Mozes noemde het de āgrote verschijningā (3:3). In het moeizame roepingsgesprek van God met Mozes vallen een aantal zaken op.
God zei van de plaats waarop de verschijning plaatshad dat het āheilige grondā was (vs 5). Dat moet wel in verband met de hele berg Gods opgevat worden en niet alleen de omgeving van de doorstruik. De verschijning was dus hoogstwaarschijnlijk op de voet of de helling van die berg. Later wordt die heiligheid herhaald (19:12-13). God droeg Mozes op de IsraĆ«lieten uit Egypte te leiden om ze naar die plek aan de berg Gods in de SinaĆÆ te brengen en Hem er te dienen (3:12).
De Uittocht
De Uittocht uit Egypte begon met het verzamelen van de IsraĆ«lieten bij de plaats Raāmeses aan de oostelijke Nijldelta. Vandaar trokken ze oostwaarts (12:37). Daar lag voor hen de noordelijke weg naar het land van de Filistijnen. God wilde echter niet dat de IsraĆ«lieten meteen slaags zouden raken en daardoor ernstig ontmoedigd zouden worden. Daarom liet Hij hun bij de rand van de woestijn (Etam) afbuigen in zuidwestelijke richting (13:17-18).
De veronderstelde Noordelijke-SinaĆÆroute naar Jebel Halal of de Midden-SinaĆÆroute van Raāmeses naar de Rode Zee in de Golf van Eilat voor de waterdoortocht zijn dus uitgesloten.
Door hun scherpe keer leek het alsof ze terugkeerden naar Egypte (14:2). God wilde daarmee ook de farao uitlokken, zodat Hij Zich aan hem en zijn leger kon verheerlijken (vs 4). God bracht de IsraĆ«lieten bij een water en liet de IsraĆ«lieten door een wonder ās nachts over de bodem ervan gaan en vernietigde de farao en zijn leger erin (15:19). Egypte was toen definitief geen bedreiging meer voor de IsraĆ«lieten.
Op weg naar Horeb
Aan de andere oever van het water trokken de Israƫlieten naar de berg Horeb. Na enige tijd trokken ze de woestijn Sin in. Ze waren toen precies een maand onderweg sinds het begin van de Uittocht (16:1). Dit is de eerste tijdsaanduiding sinds de Uittocht.
Volgens de Joodse traditie werd Gods Verbond met de Israƫlieten bij Horeb gesloten op de 50ste dag (Pinksteren) sinds hun vertrek uit Egypte. Ze lijken dan de meeste reistijd nog in Egypte te hebben gehad. Omdat ze toen nog vluchtende waren, hebben ze daar ook de grootste afstand afgelegd. Na de waterdoorgang en vernietiging van farao en zijn leger zal hun looptempo lager zijn geworden en rustte ze waarschijnlijk ook veel meer (16:23).
Dan kan het niet anders dat de berg Horeb niet ver van de waterdoorgang lag. Dat blijkt ook wel, want na het verlaten van de woestijn Sin bereikten ze Refiedim waar ze al de berg Gods bleken bereikt te hebben (3:18; 18:5). Alleen waren ze nog niet op de juiste plaats voor de Verbondssluiting.
Plaats van Horeb
In de derde maand sinds de Uittocht (19:1-2) bereikte ze die juiste plaats. Met zoān grote groep mensen die voorheen slaven waren met kinderen, ouderen en veel vee zullen ze al trekkende geen erg grote afstanden hebben overbrugd. De Jebel Moesa ligt echter op zoān 350 kilometer van de oostelijke Nijldelta en kan dus amper bereikt zijn. Het traditionele meerderheidsstandpunt ā de zuid-SinaĆÆroute naar Jebel Moesa ā is dus niet evident. Ook heeft die berg nog andere tegenargumenten.
Het ligt eerder voor de hand dat de berg Gods in de noordwestelijke uitlopers van het Sinaï bergmassief lag (midden-Sinaï). Veel dichter bij de Nijldelta dus. Van Horeb naar de plaats Qadesj hadden de Israëlieten immers maar 11 dagen getrokken (Dt 1:2).
Betekenis van Horeb
God lijkt Zich op Horeb te hebben gevestigd vanaf het moment dat de Israƫlieten in Egypte tot Hem gingen roepen (Ex 3:8). Het was werd Gods eerste vaste verblijfplaats op aarde sinds de hof van Eden. Dat wijst erop dat Hij Persoonlijk betrokken was op Zijn volk als Vader van de gelovigen. Dat Hij een berg in de woestijn uitkoos wijst op nederigheid. Hij koos geen schitterende, welvarende en luxe stad. Maar de berg drukt wel afstand uit in de zin van verhevenheid.
God lijkt Horeb bedoelt te hebben als IsraĆ«ls veilige verblijfplaats tussen de Uittocht en de Inname van het beloofde Land. In die zin lijkt de vertaling āverlatenheidā voor Horeb van toepassing. Het was een onbewoonde plaats. God deed de IsraĆ«lieten tot Zich komen op een rustplaats zodat ze zich ongestoord op Hem konden richten, Hij Verbond aan hen kon voorstellen en waar ze de voorwaarden ervan konden uitwerken, zoals de bouw van de Tent van samenkomst (het mobiele heiligdom).
God verliet Horeb vervolgens om in het heiligdom onder de Israƫlieten te verblijven. Horeb had dus een tijdelijke functie als berg Gods, maar markeerde het principe van de vaste en centrale plaats van godsdienst. Uiteindelijk werd de Tempelberg van Jeruzalem Gods Verblijfplaats. Maar zelfs daarna hield Horeb de bijzondere betekenis als oorspronkelijke berg Gods (1 K 19:8).
Praatmee