Ds. Elsman via Refoweb: ‘Wonderen bewijzen niet dat iemand Christus kent’

Een vraagsteller op Refoweb worstelt met een Bijbels spanningsveld: hoe kunnen mensen die niet werkelijk in Christus geloven toch demonen uitdrijven in Zijn Naam? In Mattheüs 7 spreekt Jezus immers over mensen die zeggen dat zij in Zijn Naam krachten hebben gedaan, terwijl Hij tegen hen zegt: "Ik heb u nooit gekend." Ds. D.M. Elsman uit Rijssen legt uit dat wonderen of geestelijke kracht op zichzelf geen bewijs zijn van een levende relatie met Christus. 'Beslissend is of wij buigen voor Zijn gezag en Hem door het geloof omhelzen.'
De vraagsteller verwijst onder meer naar Mattheüs 7:22-23, Lucas 9 en Markus 3. Vooral de woorden "in Uw Naam" roepen vragen op. Als iemand werkelijk demonen uitdrijft in de Naam van Jezus, veronderstelt dat dan niet automatisch geloof? En hoe kan satan tegen zichzelf verdeeld zijn?
Elsman begint zijn antwoord bij de context van Mattheüs 7. Jezus waarschuwt daar voor valse profeten, die er aan de buitenkant betrouwbaar uit kunnen zien. 'Valse profeten kunnen heel wetsgetrouw zijn, zuiver in de leer en te pas en te onpas de Naam van de Heere noemen en gebruiken zónder hun leven onder Zijn heerschappij te stellen.' Zelfs op de oordeelsdag zullen zij Jezus aanspreken met 'Heere, Heere', schrijft de predikant. 'Maar het is met hun mond, niet met hun hart.
Elsman wijst erop dat de Bijbel vaker spreekt over mensen die indrukwekkende tekenen en wonderen doen zonder daarmee bewezen dienaren van God te zijn. Hij verwijst onder meer naar Deuteronomium 13, Mattheüs 24 en 2 Thessalonicenzen 2. 'Duidelijk is daarbij de oorsprong van deze krachten en wonderen, namelijk het rijk der duisternis, de duivel, de vader van de leugen', schrijft Elsman.
Tegelijk maakt hij onderscheid tussen zulke misleidende krachten en situaties waarin God Zelf goede dingen kan bewerken door mensen die Hem niet werkelijk kennen. 'Wij zouden niet durven ontkennen dat de Heere zelfs door de ongelovige goede dingen weet te werken. De Heere is soeverein in Zijn weg en werk.'
Elsman verwijst ook naar Markus 9, waar iemand demonen uitdrijft in Jezus’ naam zonder bij de directe groep discipelen te horen. Daarnaast noemt hij de zonen van Sceva uit Handelingen 19. Zij probeerden de naam van Jezus te gebruiken bij het bezweren van boze geesten, zonder zelf werkelijk bij Christus te horen.
Uiteindelijk ligt de kern van Mattheüs 7 volgens Elsman niet bij de vraag hoeveel bijzondere dingen iemand heeft gedaan. Jezus wijst op iets diepers: kent iemand Hem werkelijk? De predikant haalt daarbij Romeinen 14 aan: 'Alles wat niet uit geloof is, is zonde.' Ook verwijst hij naar Hebreeën 11, waar staat dat het zonder geloof onmogelijk is God te behagen.






































Praatmee