Hervormde predikant verdedigt veelgekritiseerde oproep minister Mirjam Sterk

Predikant Matthijs Schuurman begrijpt de kritiek op minister Mirjam Sterk, maar vindt dat haar oproep aan kerken om zich sterker maatschappelijk in te zetten een belangrijk punt raakt. In een uitgebreide reeks berichten op X schrijft hij dat hij Sterks lezing 'al lezende' een goed betoog vond. 'Blijkbaar als een van de weinigen', voegt hij eraan toe.
Sterk riep kerken rond de opening van het academisch jaar van de Protestantse Theologische Universiteit op opnieuw na te denken over hun rol in een samenleving waarin de overheid niet langer alle zorg kan organiseren. In een interview met Trouw zei ze dat kerken “heel erg teruggegaan” zijn naar de “zorg voor de ziel” en dat zij de kerk buiten geestelijke verzorging “nergens meer” ziet.
Die formulering leidde tot stevige kritiek. Verschillende christenen wezen op voedselbanken, inloophuizen, maaltijden voor ouderen, vluchtelingenwerk en andere diaconale initiatieven. Schuurman erkent dat er veel gebeurt, maar vindt dat daarmee Sterks bredere punt niet is weerlegd.
Schuurman vat Sterks analyse samen als een historische ontwikkeling. In vroegere tijden, schrijft hij, was het vanzelfsprekender dat mensen hun huis en leven openstelden voor anderen. 'Dat je eigen huis een plek is die meer is dan je eigen huis, maar een plek van herbergzaamheid voor anderen zit diep in de christelijke traditie.'
Ook in de vroege kerk was die concrete zorg voor anderen volgens hem een belangrijk kenmerk. Later namen predikanten en andere christenen sociale initiatieven voor armen en mensen aan de rand van de samenleving.
Met de opkomst van de verzorgingsstaat veranderde dat. 'De kerken juichten dat toe, maar hadden niet door dat zijzelf het zorgen voor anderen voor hen op een afstand kwam te staan', schrijft Schuurman. 'Zonder dat ze het door hadden raakte het maatschappelijke engagement op de achtergrond.' Wat volgens hem overbleef, was vooral 'de zorg voor de ziel'.
Schuurman ziet daarin ook een risico voor kerken vandaag. Hij sluit zich daarom aan bij Sterks pleidooi voor presentie: niet alleen praten over zorg en naastenliefde, maar daadwerkelijk aanwezig zijn in het leven van anderen. Dat kan volgens hem heel klein beginnen. 'Ga als student wonen bij ouderen en maak onderdeel van hun wereld uit. Stel je beschikbaar als buddy', haalt hij als voorbeeld uit Sterks lezing aan.
Zelf gaat Schuurman nog verder. 'Wat zou de maatschappij opknappen als kerken hun leden kleine vormen van betrokkenheid aanleren: als ieder lid nu eens vier keer per jaar een uurtje bij iemand gaat koffiedrinken die weinig heeft.' Ook in de eigen straat kan die houding zichtbaar worden, schrijft hij. Een woonadres is dan niet alleen een plek om zelf te leven, maar ook een plek waar iemand verantwoordelijkheid neemt voor buren door contact te zoeken, belangstelling te tonen en waar nodig hulp te bieden.
Tegelijk erkent Schuurman dat er legitieme vragen bij Sterks analyse gesteld kunnen worden. Zo vraagt hij zich af of de minister de pastorie uit haar jeugd niet romantiseert, of kerken werkelijk zo sterk uit de samenleving verdwenen zijn door de verzorgingsstaat en of de overheid zelf niet mede verantwoordelijk is voor de huidige problemen in de zorg.
Toch blijft voor hem overeind dat Sterk 'een belangrijk punt te pakken' heeft. Het proces waarbij kerken meer op zichzelf gericht raakten en minder op de buitenwereld, is volgens hem ook in de godsdienstsociologie beschreven.








































Praatmee