Wordt Hongarije na Orbán nog een christelijke natie?

Ruim een jaar geleden arriveerde ik in Boedapest voor een verblijf van tien maanden als gastonderzoeker aan een van de Hongaarse academische instellingen. Mijn taak was om studenten les te geven over de relatie tussen het christendom, Europa en de Europese Unie. De centrale vraag op het lesprogramma, waarmee de regering van Orbán de volgende generatie duidelijk wilde laten worstelen, luidde: Is het christendom het fundament van de Europese Unie?
Ik nam die opdracht met enthousiasme aan. Het was verrijkend om samen met de studenten te onderzoeken hoe de Europese Unie oorspronkelijk werd gevormd vanuit een christelijke visie. Ik vertelde over de grondleggers Robert Schuman, Konrad Adenauer en Alcide De Gasperi, allen toegewijde rooms-katholieken die een verenigd Europa zagen als een herstel van de christelijke beschaving. Ook herinnerde ik hen aan Jacques Delors, die opriep tot "een ziel voor Europa", geworteld in het christelijke erfgoed van het continent.
Als Deense, afkomstig uit een van de meest geseculariseerde samenlevingen ter wereld, was ik naar Hongarije gekomen met de verwachting een soort christelijk Kanaän aan te treffen. Ik verwachtte een land waar de overheid zonder terughoudendheid het christelijk geloof verdedigde, christelijke waarden binnen de Europese Unie beschermde en standhield als het laatste echte bolwerk tegen agressieve secularisatie. Ik stelde me voor dat de straten van Boedapest zouden bruisen van levendig christelijk geloof.
Dat deden ze niet.
Het eerste teken dat mijn verwachting onjuist was, kwam tijdens een college. Ik vroeg een scherpe rechtenstudent: "Als de regering van Orbán valt, blijft Hongarije dan nog een christelijk land?" Hij keek me aarzelend aan en antwoordde eenvoudig: "Ik weet het niet."
Dat aarzelende antwoord bleef me bezighouden. Het bevestigde het groeiende ongemak dat ik al begon te voelen. Tijdens tien maanden dagelijks leven in Boedapest zag ik opvallend weinig tekenen van levend christelijk geloof. Ik bezocht regelmatig de mis in verschillende rooms-katholieke kerken. Op zondag waren die redelijk gevuld, maar de algemene betrokkenheid bleef opvallend laag.
De cijfers bevestigen dat beeld. Hongarije behoort tot de Europese landen met de laagste kerkelijke betrokkenheid. Slechts ongeveer 12 tot 17 procent van de bevolking bezoekt maandelijks een kerkdienst. Onder jongvolwassenen ligt dat percentage zelfs onder de 10 procent. Hoewel de meeste Hongaren zich cultureel nog steeds christen noemen, meestal rooms-katholiek of gereformeerd, is het land in de praktijk sterk geseculariseerd. Een groot deel van de bevolking rekent zich niet meer tot een actief religieuze gemeenschap.
Toch zou je op Sint-Stefanusdag gemakkelijk kunnen denken dat Hongarije vol overtuigde christenen is. Dan stromen de Hongaren massaal toe voor de nationale vieringen. Ze juichen en maken foto's terwijl drones de kroon van de christelijke koning boven de Donau aan de hemel laten verschijnen. Maar zodra de lichten uitgaan, is Hongarije niet christelijker geworden dan daarvoor.
Orbán zelf was zich terdege bewust van deze tegenstelling. Toch bleef hij sterk geloven in het belang van cultureel christendom. Hij benadrukte herhaaldelijk dat christelijke deugden leiden tot vrede en geluk. De Hongaarse grondwet verplicht de staat zelfs om 'de constitutionele identiteit en de christelijke cultuur van Hongarije' te beschermen.
Volgens Orbán was het behoud van dit christelijke culturele kader van wezenlijk belang. Daarom verzette hij zich fel tegen het homohuwelijk en de bredere LGBTI agenda. In zijn ogen zou acceptatie daarvan betekenen dat het christendom niet langer de morele code vormde voor de Hongaarse en Europese cultuur. Zodra dat fundament verdwijnt, raakt de cultuur los van haar christelijke wortels en glijdt zij af naar een postchristelijk vacuüm.
Zijn regering voerde daarom concrete maatregelen in die waren gebaseerd op een christelijke visie op de mens. Een van Orbáns belangrijkste speerpunten was het versterken van het traditionele gezin. Zo kregen moeders met drie of meer kinderen een levenslange vrijstelling van inkomstenbelasting. Maar zelfs nadat deze regeling eind 2025 verder werd uitgebreid, maakten relatief weinig vrouwen er gebruik van.
Daarin ligt volgens mij de diepere les. Orbáns project was niet zonder waarde. Na veertig jaar communistische verwoesting verlangden Hongaren begrijpelijkerwijs naar een hernieuwde nationale identiteit en naar een moreel besef van goed en kwaad. Maar wanneer de verdediging van de 'christelijke cultuur' vooral een project van de overheid wordt, dreigt zij te veranderen in christelijke identiteitspolitiek. Cultuurchristendom, een dun laagje erfgoed, symboliek en nationale trots, bezit niet de kracht om een volk opnieuw te kerstenen. Het kan nooit de plaats innemen van de eigen taak van de kerk: de verkondiging van het Evangelie, de sacramenten, discipelschap en bekering.
Hongarije laat zien dat een overheid christelijke waarden kan verdedigen in wetgeving en retoriek, terwijl de bevolking daar innerlijk nauwelijks door wordt geraakt. Toen Fidesz de verkiezingen verloor, bleken voor veel kiezers heel andere zaken doorslaggevend: een slecht functionerende gezondheidszorg, een zwakke economie en corruptieschandalen. De christelijke identiteit waarvoor Orbán zich had ingezet, bleek niet diep genoeg geworteld om hun loyaliteit vast te houden. De christelijke symbolen hadden de harten niet veranderd. Ze hadden vooral een culturele achterban samengebracht.
De overheid kan ruimte scheppen voor geloof. Zij kan de kerk beschermen tegen vervolging. Zij kan de samenleving zelfs inrichten op een manier die aansluit bij de natuurlijke orde en de christelijke moraal. Maar levend geloof kan zij niet voortbrengen. Dat blijft de roeping van de kerk. Wanneer overheden de taak van de kerk proberen over te nemen en christelijke identiteit verandert in een politiek merk in plaats van een persoonlijke, kostbare toewijding aan de gekruisigde en opgestane Christus, blijft het project oppervlakkig. Misschien win je er een verkiezing mee, maar zelden brengt het heiligen voort.
Hongarije zal pas werkelijk een christelijke natie worden wanneer de kerken de taak oppakken die altijd al de hunne is geweest. Nu de overheid zich niet langer hult in de mantel van christelijk nationalisme, krijgt het Evangelie misschien eindelijk de vrijheid en helderheid die het nodig heeft, los van politieke macht en vrij van de compromissen die bij regeren horen. Een christendom dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van Orbán, of van welke Caesar dan ook, zou nooit blijvend zijn geweest. Een christendom dat opnieuw opstaat door prediking, gebed en een offerbereid getuigenis, heeft die mogelijkheid wel.
Naties zijn niet christelijk omdat hun grondwet dat zegt of omdat hun leiders een kruis dragen. Mensen worden christen wanneer Christus hun hart verovert. Dat is iets wat geen enkele overheid, hoe goed bedoeld ook, in hun plaats kan doen. Het echte werk begint nu.








































Praatmee