Marina de Haan leeft met chronische ziekte: “Jezus wijst mij nooit af”

“Als ik ’s morgens in de spiegel kijk, denk ik: ik ben eigenlijk te moe.” In Hour of Power vertelde verhalenverteller en journalist Marina de Haan afgelopen zondag openhartig over haar leven met chronische ziekte. Al vanaf haar vroegste jeugd leeft ze met lichamelijke klachten, allergieën en voortdurende vermoeidheid. Toch klinkt in haar verhaal geen berusting, maar een zoektocht naar betekenis, geloof en hoop. “Hoe ik soms dagen doorkom weet ik eigenlijk ook niet, maar ik wil alles uit het leven halen wat erin zit.”
Marina de Haan heeft astma, eczeem en een lange lijst aan allergieën. “Boompollen, graspollen, huisdieren, voedselallergieën. Veel exotisch fruit kan ik niet eten. Tomaat niet, komkommer niet, pinda niet. Pinda is mijn allerergste allergie, want ook al de geur van pinda, daar kan ik in shock van raken, omdat ik dan gewoon geen lucht krijg.”
Toch zit er een glimlach op haar gezicht wanneer ze haar verhaal vertelt. “Absoluut. Ja.” De klachten begonnen al vroeg. “Ik was zes maanden oud toen ik ging kruipen en kreeg heel veel allergische reacties. Mijn huid was helemaal stuk. Mijn ouders werden wel een beetje radeloos omdat je niet goed weet waar het vandaan komt. Wat helpt nou, wat niet. Je doet een hele zoektocht van hoe kunnen we dit beter maken en het werd eigenlijk niet beter.”
Als tiener trok ze zich steeds verder terug. “Ik was eigenlijk altijd al ziek. Als je ziek bent, ben je niet helemaal jezelf. Dus ik was teruggetrokken. Als ik achter het behang kon, wilde ik liever daar zijn. Dat was zoveel veiliger dan mezelf laten zien met al deze ziekte.”
Overleven
Op haar vijftiende werd ze opgenomen in het Nederlands astmacentrum in Davos. “Ik werd uit mijn vertrouwde wereld getrokken en geplant op een groep. Daar werd ik zestien. Zo’n heel treurig verjaardagsfeestje. Dit gun je echt niemand. Het was een somber leven. Ik moest zo vaak afhaken. ‘Nee, ik kom toch niet. Nee, ik ben ziek.’ Ik was alleen maar aan het overleven.”
Ook nu bepalen haar klachten haar dagen. “Als ik in de spiegel kijk, dan denk ik: ja, ik ben eigenlijk te moe. Mijn huid doet pijn. Het trekt. Dus ik neem paracetamol tegen pijn omdat het anders niet gaat.” Toch zoekt ze niet voortdurend begrip van anderen. “Ik heb geleerd om het rationeel te kunnen uitleggen wat ik heb. Ik zoek eigenlijk geen begrip van andere mensen. Ik weet hoe zwaar ik het heb en ik ben eigenlijk heel trots op mezelf dat ik zoveel dingen doe met dit lijf wat niet lekker werkt. Het is soms ook oké om gewoon uit te rusten en even niet mee te doen.”
Teleurgesteld in God
Stilzitten past niet bij haar. “Ook als ik ziek op de bank lig, gaan al die radertjes in mijn hoofd aan. Ik hou van creëren. Wat kan ik nu creëren? Welke poëziebundel kan ik nu gaan maken? Ik denk dat als ik bij de pakken neer ga zitten, ik het huis niet meer uitkom. Dan stop je met leven.”
Tegelijk dwingt haar situatie haar tot keuzes. “Hoe ik soms dagen doorkom weet ik eigenlijk ook niet, maar ik wil alles uit het leven halen wat erin zit. Volledig liefhebben, mensen zien en alles eruit halen.” Dat betekent ook oog hebben voor anderen. “Volledig liefhebben kan je doen door andere mensen te zien, ze in hun waarde te laten. Oog te hebben voor mensen aan de rand van de samenleving. Luisteren.”
In haar geloofsleven kwam een periode van teleurstelling. “Er was een tijd dat mensen zeiden: ‘God gaat jou genezen.’ Ik geloofde daarin. Ik dacht: dat zou de beste getuigenis zijn. Als God mij geneest, ga ik overal dit vertellen. Maar het bleef steeds uit en ik werd teleurgesteld.” Ze spreekt eerlijk over die worsteling. “Als je zo vaak en zo lang voor iets bidt en het gebeurt niet, raak je teleurgesteld. Ik vroeg mezelf echt af: Hoeveel meer kan ik dragen?”
Toch bleef haar fundament staan. “Ik heb altijd geloofd dat er een God is. Hij is het fundament onder mijn bestaan.” Uiteindelijk liet ze de verwachting van genezing los. “Niet omdat God niet kan genezen, maar omdat ik geleerd heb dat God er ook is als het niet gebeurt. Ik voel me absoluut een geliefd kind van God.”
Door het dal heen
Een bijna fatale allergische reactie liet diepe sporen na. “Ik zat in de natuurkundeles en voor een proef gingen we een pinda verbranden. De ruimte vulde zich met die pindageur. Mijn luchtpijp vernauwde. Ik kreeg geen lucht. Ik ben naar het raam gestrompeld. Dat lukte niet. Mijn vader bracht mij naar het ziekenhuis. De arts zei: ‘Als je drie seconden later was geweest, had je het niet gered.’” Sindsdien leeft ze met angst. “Ik ben altijd bang geweest om jong te overlijden.”
In haar boek De weg naar het licht beschrijft ze haar leven als een pelgrimsreis. “Mijn hele boek gaat over die beweging door het dal heen op weg naar een nieuwe hoogte. Wat ik geleerd heb: het is soms nodig om in dat dal van lijden even te zijn. Zo van: oké, dit is de situatie. Het is niet gek als je zelfmedelijden hebt, maar ik heb geleerd om in dat dal niet mijn tentje op te zetten.” Die gedachte werd voor haar belangrijk. “Je kan schuilen en tegelijkertijd verder reizen door het dal heen.”
Tijdens een zware periode met prednison ervoer ze dat opnieuw. “Ik had veel jeuk en pijn. Bidden lukte niet. Het was vijf dagen stil. Toen zette ik het lied ‘It is well with my soul’ op. Ik moest huilen. Het kwam zo binnen. Ik ben ziek, maar met mijn ziel gaat het goed. Toen dacht ik: God was er toch.”
Moderne pelgrimsreis
Naast haar persoonlijke strijd schrijft ze ook over onrecht. “Ik ben journalist geworden omdat ik verhalen van anderen wil opschrijven. Ik geloof dat verhalen elkaar verbinden. Racisme en onrecht zijn thema’s die dicht bij mijn hart liggen. Mijn moeder komt uit Curaçao en heeft discriminatie meegemaakt. Ik vind het belangrijk om die verhalen te schrijven.” Tegelijk wil ze anderen bemoedigen. “Als je je schaamt voor ziekte trek je je terug. Mensen willen er ook voor je zijn. Nodig ze uit, durf uit te spreken waar je doorheen gaat. We maken samen die moderne pelgrimsreis. Je bent niet alleen.”
Uiteindelijk blijft voor haar één zekerheid staan. “Jezus wijst niemand af. Hij ziet mij. Al is mijn huid kapot. Al lig ik voor pampus op de bank.” Haar reis is nog niet voorbij, maar ze kijkt anders naar de weg. “Ik dacht dat ik aan het verdrinken was. Eigenlijk was ik aan het klimmen. Dan zeg ik tegen mezelf: Kijk nu eens om je heen en zie hoe ver je bent gekomen.”
































Praatmee