PKN geeft kerkelijk werker nieuwe positie

De kerkelijk werker (nieuwe stijl) in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) krijgt een civielrechtelijke rechtspositie. Dat heeft de generale synode vrijdag besloten. Ze mogen niet preken binnen de kerk, maar kunnen daarvoor wel toestemming krijgen via en leertraject waarmee ze predikant-pastor worden.
Met de keuze voor een civielrechtelijke verankering worden kerkelijk werkers stevig ingebed in de organisatie van de kerk, zonder dat zij daarbij onder het formele kerkelijk arbeidsrecht vallen. Binnen het civielrechtelijk kader wordt wel ruimte gezocht om de positie van kerkelijk werkers te versterken, bijvoorbeeld in arbeidsvoorwaarden en ontwikkelmogelijkheden. In eerste instantie zouden kerkelijk werkers een kerkrechtelijke positie krijgen. Daar komt de kerk nu op terug.
Aanvullend aan dit besluit heeft de synode ook verdere duidelijkheid gegeven over bevoegdheden en de ambtelijke positie van de kerkelijk werkers na inwerkingtreding van de nieuwe regelingen. Binnen de PKN worden drie functies onderscheiden: de predikant, de predikant-pastor (ook wel hbo-predikant genoemd) en dus de kerkelijk werker. De eerste twee mogen preken tijdens kerkdiensten, maar dat geldt niet voor kerkelijk werkers.
Die laatste groep kan echter wel toestemming krijgen om te preken via een zogeheten leerconsent. Dat is een leertraject waarmee een kerkelijk werker uiteindelijk ook predikant-pastor kan worden.
Er is in kaart gebracht welke groep kerkelijk werkers logischerwijs als eerste in aanmerking komt voor toelating tot het ambt van predikant-pastor. Dat gaat om kerkelijk werkers en pioniers die reeds langs kerkelijke weg bevoegd zijn het Woord te bedienen (oftewel: preekconsent hebben) én die voor hun huidige werksituatie van het breed moderamen van een classis de zogenoemde predikantsbevoegdheden hebben ontvangen. De bedoeling is dat hiermee voorkomen wordt dat een groep van circa 95 personen opnieuw het hele traject moet doorlopen.







































Praatmee