Christenen in India vrijgesproken in antibekeringzaken

In het Noord-Indiase deelstaat Uttarakhand zijn vijf rechtzaken tegen christenen rond zogenoemde “anti-conversiewetten” recentelijk afgesloten zonder veroordelingen. Uit gerechtelijke documenten blijkt dat de aanklachten in al deze zaken sneuvelden omdat er simpelweg geen overtuigend bewijs was.
Sinds de Uttarakhand Freedom of Religion Act in 2018 van kracht werd, zijn er 62 christenen aangeklaagd bij de politie. Het doel van deze wet is volgens de regering om zogenoemde gedwongen religieuze bekeringen tegen te gaan. De wet werd later in 2022 en 2025 aangescherpt, met straffen tot tien jaar gevangenisstraf en in ernstige gevallen zelfs twintig jaar of levenslang.
Toch laten rechtbankgegevens zien dat van de vijf gevallen die volledig voor een rechter zijn gekomen, geen enkeleheeft geleid tot een veroordeling. In meerdere andere zaken werd de rechtszaak zelfs voortijdig geseponeerd omdat getuigen niet langer wilden getuigen of omdat de aanklager geen bewijs kon leveren voor dwang, misleiding of verleiding.
In twee van de vijf afgeronde zaken waren de klachten ingediend door derden zonder direct persoonlijk belang. In één zaak klaagde een lid van een politieke groepering een man aan omdat hij volgens hem in Facebook-video’s het christelijk geloof prees en kritiek had op het hindoeïsme en het kastenstelsel. In een andere zaak beschuldigden leden van een hindoe-organisatie een predikant en zijn vrouw van massale bekeringen. In beide gevallen vond de rechtbank de aangeleverde bewijzen niet overtuigend.
Critici wijzen erop dat anti-conversiewetten in meerdere Indiase staten vaker leiden tot arrestaties en processen dan tot veroordelingen. Zo meldden rechtbanken in de deelstaat Uttar Pradesh vorig jaar ook vrijspraken, waaronder voor een echtpaar dat was aangeklaagd wegens vermeende gedwongen bekering tot het christendom. De rechter merkte op dat getuigen onbetrouwbaar waren en dat er geen materieel bewijs was geleverd.
Anti-conversiewetten zijn inmiddels ingevoerd in twaalf van India’s twintig acht deelstaten en zijn vaak omstreden. Voorstanders zeggen dat ze sociale harmonie moeten beschermen en gedwongen bekeringen moeten tegengaan. Tegenstanders waarschuwen dat zulke wetten kunnen leiden tot willekeurige aanklachten tegen religieuze minderheden, en dat de bewijslast in de praktijk moeilijk te leveren is.
Rechters lijken in deze recente zaken juist de onafhankelijke rechtsgang te benadrukken. Door zonder overtuigend bewijs tot vrijspraak te komen, wordt in elk geval duidelijk dat beschuldigingen alleen niet genoeg zijn voor een veroordeling. Voor veel christenen in India, die zich zorgen maken over hun vrijheid om te geloven en te verkondigen, zijn deze uitspraken een belangrijke bevestiging van de noodzaak van eerlijke rechtsgang.

































Praatmee