Misvattingen over ds. Kersten en de 'Crisis der Rechter-Orthodoxie'

In het voorwoord van het boekje Kersten in quotes schreef ik dat het verbazingwekkend is hoe vaak er een bewust of onbewust verkeerd beeld van ds. G. H. Kersten wordt neergezet. Hem zijn uitspraken in de mond gelegd die hij nooit bedoeld heeft te zeggen. Dat is precies wat in dit artikel van Hendrik Jan van der Heiden ook pijnlijk duidelijk wordt. ‘Wees mild, liefdevol en ruim naar elkaar’, zo luidt het slot van zijn artikel. Dat is inderdaad een belangrijke notie, die ik juist zo mis in het betoog. De Bijbel is wat dat betreft ruimer dan Van der Heiden.
We mogen best scherp zijn wanneer het de waarheid van Gods Woord betreft. Daarbij hoeft bescheidenheid beslistheid niet uit te sluiten. Maar we hebben personen wel recht te doen en in gedachten te houden wat de Heidelberger Catechismus in de verklaring van het negende gebod leert. Het is ook raadzaam om hierbij notie te nemen van wat de bekende John Newton (1725-1807) schrijft. In een brief met de titel On controversy schrijft hij aan een vriend die voornemens was om te reageren op iemand met een tegenovergesteld standpunt. Newton doet in die brief - die ik in de handen van iedere christen wens - waardevolle adviezen. Waar de liefde ontbreekt, klinkt alles als een klinkend metaal of luidende schel (1 Korinthe 13:1).
Omdat Van der Heidens artikel mijns inziens een aaneenschakeling van onjuistheden en eenzijdigheden bevat, voelde ik mij desgevraagd verplicht om hierop te reageren. Aan de hand van gedeelten uit kritische lezingen, artikelen en studies van derden wordt beschreven wat ds. Kersten allemaal verkeerd zou hebben gezien, waarna wordt aangegeven hoe het volgens Van der Heiden werkelijk zit. Hoewel het een relatief uitgebreid artikel is, blijkt het vanwege de veelheid aan thema’s die de revue passeren toch te simplistisch en te kort (door de bocht). Ik wil de auteur niet zomaar van kwade intenties verdenken, ook al heeft zijn betoog wel een zeer kwalijke inhoud.
In deze bijdrage zal geen uitgebreide inhoudelijke reactie worden gegeven op alles wat Van der Heiden constateert. De toegezegde plaatsingsruimte is onvoldoende om dat op een verantwoorde wijze te doen. Het zou mij verplichten om ook vluchtig en oppervlakkig op allerlei diep geestelijke thema’s in te gaan, en dus hetzelfde te doen als wat ik de ander verwijt. Deze eerste, meer algemene reactie is vooral bedoeld om het geschetste beeld van ds. Kersten te corrigeren. In een later stadium zal hier een meer uitgebreide inhoudelijke reactie volgen.
‘De liefde van Christus die hem drong’
Ds. Kersten wordt door critici regelmatig afgerekend op verzelfstandigde uitspraken uit zijn Gereformeerde Dogmatiek, zonder dat werkelijk wordt nagegaan hoe deze in de prediking functioneerden. Zo typeert Van der Heiden ds. Kersten als iemand die ‘sereen speculatief en massief’ over Gods soevereine besluiten sprak, vooral over de predestinatie. ‘De uitverkiezing die de vreugde van het geloven moest verschaffen, werd een spookachtig mysterie in het bevindelijke hart’, zo schrijft hij. Ds. Kersten zou een ‘dogmatisch platform’ hebben gemaakt, ‘waaruit hyper-predestiaans denken en de daarmee verbonden spiritualiteit onder ultra-gereformeerden kon worden ontwikkeld.’
Als Van der Heiden Kerstens werken al heeft gelezen en bestudeerd alvorens hij dit artikel heeft geschreven, dan heeft hij hem in ieder geval niet goed begrepen. Dat ds. Kersten massief kon spreken is waar; hij kon met weinig woorden heel veel zeggen. Het is ook waar dat ook deze predikant niet volmaakt was. Alleen een volmaakt man struikelt niet in woorden, terwijl wij allen struikelen in vele (Jakobus 3:2). Ds. Kersten mag als dienaar van God worden gewaardeerd, en zijn geloof nagevolgd (Hebreeën 13:7). Zonder daarbij overigens te vervallen in een vleselijk ‘ik ben van Kersten’ of iets dergelijks (1 Korinthe 3:4-8). God alleen komt alle eer toe, zoals de kanttekening bij 1 Korinthe 3:7 treffend vermeld: ‘omdat niemand zich op de gaven der dienaren, wie zij ook zijn, alzo moet vergapen, dat hij hun de eer zou geven, die den oppersten auteur van dit werk toekomt; alzo het God is die hen stelt, die hun bekwame gaven geeft, en door hun arbeid krachtig is in de harten der mensen.’
Het is heel jammer dat het artikel geen eerlijk en evenwichtig beeld geeft van de leer en prediking van ds. Kersten. Dat dit met enige welwillendheid wel mogelijk is - ook wanneer er op bepaalde punten verschil van mening is - blijkt bij enkele tijdgenoten van ds. Kersten, waarvan ik enkele voorbeelden ter illustratie laat volgen.
De bekende christelijke gereformeerde prof. J.J. van der Schuit (1882-1968) kruiste meer dan eens de theologische degens met ds. Kersten over de leer van de verbonden. Toch schreef Van der Schuit in De Wekker een positieve recensie van Kerstens prekenbundel De Christus in Zijn lijden. Daarbij vermeldt hij onder andere het volgende:
Het huishoudelijke werk van een Drie-enig God, uitgewerkt in de harten van Gods kinderen, is hier klaar en aantrekkelijk getekend. Ik heb menige bladzijde met grote instemming gelezen, vooral nu in de Gereformeerde Gemeenten zoveel te doen is geweest, en nog te doen is over (…) „belofteprediking". (…) Wat zou men dan zeggen over deze passage: „Niemand is er te slecht, en niemand te goddeloos. Niet één kan zeggen: Voor mij is het niet, ik heb het er te slecht afgebracht in de wereld. Hij is gekomen, opdat zondaren zullen zalig worden om niet. Opdat zij enkel en alleen zullen zalig worden door de genade, die in Christus Jezus is". Nog zulk een passage lezen we: „Daarom kan niet één zeggen: Het is voor mij niet. Wij allen zijn in de mogelijkheid van zalig worden, want wij mogen nog verkeren onder de prediking des Woords". (…) Dat staat te lezen in de predicaties van Ds. G.H. Kersten, die het Borgtochtelijke werk van de Middelaar behandelt.’
Iemand die niet heel kritisch tegenover ds. Kersten stond, maar soms wel andere accenten legde, was ds. J. van der Haar (1917-2001), een hervormd predikant die binnen de gereformeerde gezindte bekend stond als een groot kenner van oude schrijvers. Hij schreef in het Gereformeerd Weekblad het volgende:
‘Persoonlijk heb ik wijlen ds. Kersten niet gekend of horen preken, maar zijn Catechismusverklaring heb ik doorplozen. (…) Dezelfde ds. Kersten, (kan) in de éne preek zo strak en stijl predestiniaans prediken, (en) in een andere predicatie zulke lieflijke tonen laten horen en dat juist in de "toepassing"! -, waarin, ja werkelijk! De lokking en nodiging, dus de aanbieding van het heil duidelijk doorklinkt.’
Prof. dr. C. Graafland (1928-2004), wiens werken Van der Heiden aan het slot van zijn artikel aanbeveelt, was zeker niet iemand die ds. Kersten in al zijn theologische standpunten waardeerde. Evenwel had Graafland het vermogen en de wil om Kerstens prediking op integere wijze te typeren. In het Biografisch Lexicon schrijft hij:
‘In zijn prediking was een zekere mildheid kenmerkend. Daarin overheersten niet de in zijn dogmatiek geleerde schema’s, maar de evangelieverkondiging, die christologisch gericht was en gepaard ging met een krachtige oproep tot geloof en bekering en een pastorale benadering van de twijfelenden en bekommerden.’
Een laatste citaat om het ongelijk van Van der Heidens typering te illustreren komt van iemand die ds. Kersten niet alleen waardeerde, maar die hem ook als zijn geestelijke vader zag: ds. W.C. Lamain (1904-1984):
‘Wanneer de liefde van Christus hem drong om het wel en wee aan te zeggen met zoveel gevoel, werd het soms stil in de kerk. Wat een opening heeft de Heere hem in die jaren gegeven. (…) Nooit zal ik vergeten dat op een eerste Kerstdagavond de tekst was uit Lukas 2:9: “En zie, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen.” Daar lag die avond iets van de heerlijkheid des Heeren op het aangezicht van de leraar. Die avond was er een verlangen in mijn hart dat de kerk nooit meer uit zou gaan. Als de mens verdwijnt, verschijnt Christus. Waarlijk, die leraar stond daar als een engel Gods. Hoe langer hij sprak, hoe groter God werd en hoe kleiner hij zelf werd. Hij was zo verbroken dat hij soms niet verder kon. Hij kon die nederbuigende goedheid Gods tegenover Zijn volk maar niet genoeg bewonderen en verheerlijken. Wat was het daar goed en zoet! De Heere Zelf was in het midden.’
‘De niet geheel ten onrechte vrees’
In het artikel wordt ook over de verbondsleer van ds. Kersten gesproken. In Kersten in kleur heb ik gepoogd in het kort een eerlijk beeld te schetsen van de achtergrond en inhoud van de discussie die destijds speelde. Zonder er hier inhoudelijk op in te gaan, is het opmerkelijk dat niet de door Van der Heiden zo gewaardeerde drieverbondenleer maar juist de door ds. Kersten beleden tweeverbondenleer behoort tot wat in het artikel ‘de hoofdstroom van de gereformeerde theologie’ is genoemd. Van die hoofdstroom zou ds. Kersten zijn afgeweken. Met de zienswijze dat Adam het hoofd van het genadeverbond is, plaatst de auteur zich echter op grote afstand van welke hoofdstroom dan ook.
Uit Van der Heidens opmerkingen over Kerstens verbondsleer blijkt dat hij diens zorgen niet heeft aangevoeld. Dat dit wel mogelijk is, ook wanneer iemand zich verbonden weet met de drieverbondenleer, laat de christelijk gereformeerde ds. J. M. J. Kieviet zien in een boekrecensie die hij jaren geleden in Bewaar het Pand publiceerde. Hij stelde daarin de oprecht bezorgde vraag ‘hoe het toch komt dat zijn kerken zo ver zijn weggegleden van wat Hendrik de Cock de gronden der vaderen noemde’. Omdat hierin zo kernachtig wordt weergegeven waar ds. Kersten destijds zo beducht voor was, laat ik het hier volgen:
‘Zou het kunnen zijn dat het iets te maken heeft met de drieverbondenleer? Zou er een verband kunnen liggen met de lijnen die getrokken zijn vanuit de leer – in prediking en pastoraat? Is het wellicht mogelijk dat er in de loop van de jaren meer nadruk is komen te liggen op wat de ‘bondeling’ al bezit, namelijk in de belofte, en minder op wat er moet gebeuren, namelijk in wedergeboorte en bekering? Kan het zijn dat in de prediking wel de ‘bediening’ van het verbond accent ontving, maar minder het ‘wezen’, namelijk het wonder van Gods welbehagen in Zijn eeuwige verkiezing? Heeft een bepaalde invulling van de verbondsleer er mogelijk niet toe geleid dat er minder ontdekkend en meer ‘opbouwend’ wordt gepreekt? Met als gevolg dat de kerken vol raakten met ‘bezittende’ mensen, die echter van het arme zondaarsleven voor de Heere niet wisten. Ik vrees dat er toch een verband ligt met de onder ons gangbare opvatting. Althans met de wijze waarop die in de loop van de jaren in prediking en pastoraat ging functioneren. Nee, dat is nooit de bedoeling van ds. Jongeleen en de zijnen geweest. Net zomin als ons doopformulier en de Catechismus hieraan debet zijn. Maar achteraf moet ik zeggen dat de vrees van ds. Kersten en de zijnen niet geheel ten onrechte is geweest. De praktijk laat het zien.'
Deze fijnzinnigheid mis ik in Van der Heidens artikel. In de genoemde recensie riep ds. Kieviet overigens ook degenen die de tweeverbondenleer voorstaan op om te onderzoeken of er onder hen geen onbedoeld gevolg van valse lijdelijkheid te vinden is. Naar aanleiding van die opmerking schreef ds. J. Roos onlangs in de brochure Orde des heils - in lijn met wat ds. Kersten voorstond - dat lijdelijkheid inderdaad nooit het gevolg mag zijn. Ook al zijn we vijanden van vrije genade en van Christus en Zijn werk, neemt dat de plicht om Hem lief te hebben en te gehoorzamen niet weg. Daarom is een Godswonder zo nodig. Maar degenen die leven onder het welmenend aanbod van genade zijn verantwoordelijk voor de wijze waarop zij daarmee omgaan.
‘De ontzaglijke realiteit van het leven’
Deze terechte ‘bevindelijke’ vragen van ds. Kieviet brengen mij ook bij een ander opmerkelijk aspect in Van der Heidens artikel. Daarin wordt negatief geschreven over een beleving die bestaat ‘uit een zogenaamde chronologische volgorde van ellende, verlossing en dankbaarheid’, waardoor ‘het veelkleurige en veelzijdige werk van de Heilige Geest wordt ingeperkt.’ De ‘ontspoorde bevindingen’ die hij bij ds. Kersten meent te vinden, kunnen zijn instemming zeker niet hebben. Bij Van der Heidens opmerkingen over de moordenaar aan het kruis komt de spreekwoordelijke aap echter wel heel opzichtig uit de mouw. De geredde moordenaar kende volgens hem ‘geen toeleidende weg en geen zielsbevindelijke gang’. Hij ‘kende niet de drie stukken’, maar ‘zag alles in Jezus en geloofde’. In plaats van de zogenoemde ontspoorde bevindingen ziet de auteur liever gesmoorde bevindingen. Van der Heiden zou eens na kunnen gaan welke Schriftuurlijk-bevindelijke noties de bekende prediker C. H. Spurgeon bij deze geschiedenis vermeldt.
Aan het slot van zijn artikel wordt de dogmatiek van dr. H. Bavinck (1854-1921) ter lezing aanbevolen. In schril contrast met wat Van der Heiden ons meedeelt, staat echter wat diezelfde Bavinck als voorrede in de heruitgave van de werken de Erskines schreef. Bezorgd verwoordt hij daar wat volgens hem ‘heden ten dage veelszins ontbreekt’: de bevindelijke kennis van essentiële Schriftuurlijke zaken. Het schijnt mij toe dat Bavinck hier juist zaken wil onderstrepen die Van der Heiden lijkt weg te willen strepen:
Lidmaatschap van het volk en van de kerk, het ontvangen van de tekenen en zegelen des verbonds is niet genoeg. Het komt op persoonlijke bekering aan. Het verbond moet waarheid wor¬den in eigen hart en leven. Dit aandringen op persoonlijke bekering geeft dan aan de Schotse predi¬king zulk een religieus karakter, zulk een praktische strekking. Ze beweegt zich altijd tussen de beide polen van zonde en genade, van wet en evangelie. (…) Er is een belangrijk element in, dat ons heden ten dage veelszins ontbreekt. (…) Het is alsof wij niet meer weten wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is. In theorie kennen wij ze wel, maar wij kennen ze niet meer in de ontzaglijke realiteit van het leven.
Bavinck verwoordt hiermee precies mijn zorg over de inhoud van Van der Heidens artikel. Het was ook de zorg van ds. Kersten, van wie een tijdgenoot schreef: ‘Ik heb (…) zijn tranen gezien, vloeiend van zijn wangen, als hij zo waarschuwde voor datgene waar we nu middenin zitten: het verlaten van de rechte wegen des Heeren, en een zucht naar wat nieuws en wat anders.’
‘De wijze waarop de genade Gods ons deel wordt’
Het lezen van wat Van der Heiden ‘ontspoorde bevindingen’ noemt, bracht mij ook een referaat van een andere tijdgenoot van ds. Kersten in herinnering, getiteld:: Crisis der Midden-Orthodoxie. De hervormde ds. G. Boer (1913-1973) reageert hierin indringend op kritiek die ‘van buitenaf’ op de prediking binnen de Gereformeerde Bondsgemeenten werd geleverd. Er is in zekere zin niets nieuws onder de zon - met toch wel dit verschil: De kritiek die toen van buiten kwam, komt nu meer en meer van binnenuit.
Dat is wat ik de Crisis der Rechter-Orthoxie noem. Het is de ramp van kerkelijke klimaatverandering. Het betoog waarop dit artikel een reactie is, vertoont er mijns inziens ook ernstige symptomen van. Onderlinge accentverschillen met ds. Kersten daargelaten, ds. Boer gebruikt in het reeds genoemde referaat heldere taal over de doodsstaat van de mens, de noodzaak van wedergeboorte, de kennis van ellende, het plaatsmakende werk en de prediking van Christus:
‘Wij dagen - met Calvijn - de mensen voor de rechterstoel Gods, opdat zij, aangegrepen door de gerechtigheid Gods, al hun schuilhoeken zullen verlaten en op ’t open veld van Gods licht en genade zullen roepen. Dit is geen voorwaarde tot het heil, maar de modus quo, de wijze, waarop de genade Gods ons deel wordt. (…) Dit alles gaat niet om buiten het geloof. Integendeel, dit is een wezenlijk deel van het geloof. Het is een misvatting, wanneer men zegt, dat wij de kennis der ellende èn in de toeleiding tot Christus èn in de voortgaande ontdekking na de geloofsvereniging – met Christus, zouden stellen buiten het geloof. (…) Dat het geloof in onze verlorenheid voor God in onze ellende een essentieel stuk is van het geloof, wordt schier niet meer verstaan! Het geloof is dan geloof in onze rechtvaardigmaking voor God. Dit heeft tot gevolg, dat men in Midden-Orthodoxe kringen de zondekennis en het schuldbesef als iets bijkomends gaat beschouwen en niet als iets wezenlijks!’ (…)
‘Ook soms een optimistische beschouwing van de mens en een verwaarlozing van de uitspraken van de H. Schrift over de doodsstaat en actieve vijandschap van de zondaar. Daardoor komt het machtig ingrijpend en wederbarend werk aan de Heilige Geest niet tot zijn recht. Daarmede is niet gezegd, dat wij de mensen leren, dat zij niet tot Christus mogen opzien, alvorens zij verbrijzeld zijn — o neen — zij mogen, ja zij moeten tot Christus opzien, maar opdat zij in waarheid tot Christus zullen opzien, hanteren wij ‘t Woord als een zwaard om ze te doorsteken, om ze een dodelijke wond toe te brengen, die door niemand genezen kan worden dan door Christus.’
We kunnen weten dat er onder gereformeerde theologen verschil van inzicht was met betrekking tot de beleving van eigen verlorenheid en de afbraak van eigen gerechtigheid. Sommigen Godvrezende leraars plaatsten dit onder het voorbereidende werk, andere eveneens Godvrezende leraars zagen dit als vruchten van de wedergeboorte. Ds. Kersten schaarde zich nadrukkelijk bij die laatsten. Maar allen waren overtuigd van de diepe noodzaak ervan.
Juist dat raakt de Crisis der Rechter-Orthoxie. Die crisis is het gevolg van een prediking waarin gesproken wordt over zondebedekking zonder schuldontdekking, vrijspraak zonder vonnis, behouden worden zonder verloren te gaan, aanvaarding zonder dagvaarding en binnengaan zonder buitenstaan. Een prediking waarin men de rode draad van het Evangelie wil laten functioneren zonder de scherpe naald van de wet. Een prediking van ‘begin maar vast, dan zal later wel blijken dat God begonnen is’. Een prediking die begint bij Abraham, en niet bij Adam. Een prediking waar de kennis van Zondag 7 (Heidelberger Catechismus) wordt verkregen zonder iets van de Zondagen 2-6 te verstaan. Een prediking waarin het ware geloof niet meer is dan vertrouwen dat je een kind van God bent, en waarin ellendekennis - áls er al over gesproken wordt - vanzelf wel zal gaan volgen nadat je bij het kruis terecht bent gekomen. Wie daarentegen wil vasthouden aan de noodzaak van het ontdekkende, ontgrondende en plaatsmakende werk van de Heilige Geest, omdat een zondaar anders nooit bevindelijk zal leren dat goddelozen om Jezus’ wil met God worden verzoend, moet rekenen op een beschuldiging. Dat is beperkend, krampachtig, wettisch of voorwaardelijk. Dat zijn de ‘kleine lettertjes bij het Evangelie’.
Hoewel het verder buiten het bestek van dit artikel valt, mag niet worden verzwegen dat die Crisis der Rechter-Orthoxie meerdere gezichten heeft. Zij betreft net zo goed ook een prediking waarin het leven wordt gelegd en rust wordt gegeven in ellendekennis en allerlei kenmerken, zonder enige honger en dorst naar de gerechtigheid en enige kennis van de Zaligmaker. Zowel het leven vinden in ellendekennis zonder Christus, als het leven vinden in Christus zonder ellendekennis - het komt op hetzelfde neer. In beide gevallen kunnen we slechts spreken van eigengerechtige, hoogstaande farizeeërs die op zichzelf zien en niet over boetvaardige, onder God buigende tollenaars die op Jezus zien.
‘De blijde boodschap, die Christus predikt voor verloren zondaren’
De crisis kan treffend worden samengevat met de woorden die dr. M. Lloyd Jones (1899-1981) ooit sprak: ‘De crisis van onze moderne tijd is, dat we niet meer weten dat God heilig is.’ Alleen waar wij verdwijnen, zal God verschijnen. Dit alles gaat de eer van God, de heerlijkheid van Christus en de zaligheid van zondaren aan. Naar de orde van de tijd kan niemand te vroeg tot Jezus vluchten, maar dat kan wel naar de orde van de natuur. Daarom kon Thomas Boston in De kunst van het mensen vangen schrijven: ‘O mijn ziel, draag er zorg voor dat u, wanneer u te maken krijgt met een ontwaakte consciëntie, het geneesmiddel niet toepast voordat de wond diep genoeg is.’
Ds. Kersten zelf schreef: ‘Kennis van onze ellende is onmisbaar. Maar in die kennis ligt op zichzelf geen grond en geen hoop. Zij dient tot Christus te leiden’ En: ‘Ik leg er - ondanks alle bespotting en beschimping van het naamchristendom van onze tijd - de nadruk op dat de zekere weg waardoor de enige troost verkregen wordt, in een bevindelijk kennen van de drie stukken ligt.’ Zeker, het eeuwige welbehagen van de drie-enige God de grondslag van zijn prediking, maar wel om een andere reden dan Van der Heiden geeft: ‘Laat die vaste predestinatieleer u toch niet tot aanstoot zijn. Als er geen verkiezing was, zou er voor niet één schepsel zaligheid zijn. De verkiezing zegt ons dat mensen zoals u en ik, die van God zijn afgevallen door de zonde, zalig worden omdat Gods liefde hen eeuwig bemint.’
Nee, kerkgangers mogen niet ‘eerlijk onbekeerd’ zijn en predikers kunnen niet volstaan met het uitspreken van een wens aan het einde van de preek, zoals Van der Heiden ds. Kersten verwijt. Ook dat aspect benoemt ds. G. Boer kwetsbaar en eerlijk in het eerder aangehaalde referaat:
“Wij hebben ‘t ons aan te trekken, wanneer ons gezegd wordt, dat het rechte appèl in onze prediking zo vaak gemist wordt. Want — hoe moeilijk ‘t ook moge zijn — wij hebben de mensen — in navolging van Christus en de apostelen — niet in de wensende zin aan te spreken, maar in de oproepende zin, in de bevelende zin, tot beslissing roepend. Maar wij mogen daarbij niet vanuit de mens opkomen, maar uit de drieënige God, uit Zijn Woord. Ook hier hebben wij te gaan de smalle weg, waar God in Christus verheerlijkt wordt door de Heilige Geest.”
Dit element klonk ook in de preken van ds. Kersten door, die volgens Van der Heiden ‘de vrije aanbieding van het Evangelie geforceerd brengt’, ‘twijfels zaait over Gods intentie’ en ‘zijn hoorders door zijn vrijblijvende prediking niet echt in de schuld bracht’. Dat dit niet strookt met de werkelijkheid, bewijzen enkele citaten die ik uit zijn werken opsom:
Het Evangelie eist niet, maar geeft. Het openbaart de Weg tot het leven. Het is daarom een blijde boodschap, die Christus predikt voor verloren zondaren. Zou voor iemand de genadedeur gesloten zijn? Voor niemand! God biedt in Christus de zaligheid aan gans verlorenen aan - wie zij ook zijn. Zeg niet dat u te slecht of te goddeloos bent. Hij heeft nooit iemand afgewezen, wie hij ook was. Niet één hoorder kan zeggen: ‘Het is niet voor mij’. Wij allen zijn in de mogelijkheid van zalig worden, want wij mogen nog verkeren onder de prediking van het Woord. De Heere daalt zo laag af in Zijn Woord, dat Hij met een eed zweert: ‘Zo waarachtig als lk leef, Ik heb geen lust in de dood des zondaars; maar daarin heb Ik lust, dat de zondaar leve en zich tot Mij bekere.’ Als de Heere zo spreekt, zouden dan Gods knechten de verloren, dode, doemwaardige zondaar niet dringen tot bekering? O, wie kan de heerlijkheid van Christus naar waarde roemen? Al kwam heel de wereld tot Hem, met al de erfzonde en alle dadelijke zonden van Adams geslacht – Zijn gerechtigheid zou niet te ledigen zijn! Wat verhindert ons om tot Christus te komen? Wat u ook opnoemt, er is niets, niets in te brengen tegen die nodiging van Hem en tegen die bediening van het Evangelie. Hij staat als met uitgebreide armen!
De grootste en meest desastreuze crisis is onze ellendestaat van ongeloof en het verachten van Jezus’ volbrachte Middelaarswerk. ‘En dit is het oordeel’ - in de grondtaal staat krisis - ‘dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos’ (Johannes 3:19). Of het nu goddeloze en ongerechtige werken of godsdienstige en eigengerechtige werken zijn, beiden zijn vormen van vijandschap tegen God en Christus. ‘Die den Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem’ (Johannes 3:36). Als deze nood door het werk van Gods Geest voor onszelf en voor anderen de grootste nood is of wordt, zullen in zichzelf verloren zondaren alleen in Hem behoudenis zoeken en vinden. En dan zullen wij ook elkaar op die plaats van gelovige verootmoediging kunnen vinden:
‘k Heb alles verloren
maar Jezus verkoren
Wiens rijkdom ik ken
Laat dat ons verlangen zijn. Het zou een begin van het einde van de crisis kunnen betekenen.
Bart Bolier is ondernemer, schrijver en ouderling binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGiN). Hij is de auteur van 'Kersten in quotes' en 'Kersten in kleur'. Bovenstaand artikel kwam naar aanleiding van het opinieartikel 'De geestelijke erfenis van oprichter GerGem: de Bijbel is ruimer dan ds. Kersten' tot stand.









































Praatmee