Een wedergeboren christen is een vrij mens én staat onder Gods wet

Onder Gods geboden - en toch vrij zijn. Kan dat? Zeker, zegt Jakobus: voor de gelovige is Gods wet juist een ‘wet van de vrijheid’! Die wet is tegelijk de grondwet van het koninkrijk van God: zó gaan we in dat koninkrijk met elkaar om, en zó dienen we God in dat rijk. En dit zijn twee principes van het koninkrijk: licht en liefde! Nadat ik vorige week een nieuwe artikelreeks over het Bijbelboek Jakobus aftrapte volgt nu deel 2!
De wet van de vrijheid
Als iemand wedergeboren is, moeten de vruchten daarvan zichtbaar worden: leren luisteren (naar de stem van God), behoedzaam zijn met wat je zegt, niet te gauw boos worden, want boosheid leidt gemakkelijk tot zonde. Het woord van God waardoor een mens wedergeboren wordt, is als een zaad in de ziel, dat in de christelijke levenswandel tot ontwikkeling moet komen en dat leidt tot de uiteindelijke ‘behoudenis’ (aan het eind van het aardse leven).
Bij een echte hoorder van het woord komt het dus ook tot bijpassende daden; als die vrucht er niet is, en je denkt toch dat je een christen bent, dan bedrieg je jezelf: je hebt gehoord, maar niet geluisterd; je hebt gekeken, maar niets gezien (als iemand die een blik werpt in de spiegel, en meteen vergeet wat hij zag). Daar komt nog bij dat echt geloof en de vrucht ervan altijd genormeerd is, en die norm komt (uiteraard) van God: het is de ‘volmaakte wet, die van de vrijheid’. Een mens wordt niet behouden door eigen prestaties (werken van de wet), maar alleen door geloof dat zich hulpeloos in de armen van God werpt (vgl. bijv. Rom. 3:21-31). Omgekeerd zal een echt geloof altijd goede werken voortbrengen, dat zijn werken die aan Gods norm voldoen.
Praatmee