Kort geding CvI tegen Nederlandse Staat: 16 september volgt de uitspraak
Het Israël Producten Centrum (IPC), dat nauw verbonden is aan Christenen voor Israël, stond woensdag 26 augustus samen met de European Jewish Association (EJA) tegenover de Nederlandse Staat in de rechtbank. Tijdens het kort geding probeerden de organisaties het voorgenomen import- en handelsverbod op producten uit Israëlische nederzettingen tegen te houden. IPC-directeur Pieter van Oordt noemt de maatregel "enorm schadelijk" voor zijn onderneming en spreekt van "pure symboolpolitiek". De rechter doet uiterlijk 16 september uitspraak.
Het handelsverbod moet op 22 september in werking treden. IPC importeert en verkoopt al tientallen jaren Israëlische producten en stelt dat het door de maatregel bestaande handelsrelaties moet beëindigen. Ook blijven mogelijk voorraden onverkoopbaar. "We hebben nauwelijks tijd gehad om de producten te verkopen, sterker nog: we hebben nog een deel van de voorraden over", zegt Van Oordt op de website van Christenen voor Israël.
Daarbij gaat het naar zijn zeggen om een aanzienlijk deel van de omzet. "Het import- en handelsverbod is enorm schadelijk voor onze onderneming, en we krijgen geen enkele compensatie van de overheid."
Van Oordt vindt dat IPC te abrupt met de maatregel wordt geconfronteerd. Bestellingen, transporten en voorraden worden immers geruime tijd van tevoren gepland. "De staat heeft de verantwoordelijkheid om een betrouwbare overheid te zijn, ook voor ons bedrijf, en om ons niet ineens te confronteren met zo'n vergaande maatregel."
Als voorbeeld noemt hij een producent van halva en tahini waarmee IPC zakendoet. "We moeten voldoen aan hoge eisen van de NVWA, daarvoor hebben we bijvoorbeeld een fabriek gevonden waar 140 Palestijnen werken die halva en tahini kan leveren. Ik kan dat niet zomaar vervangen."
IPC benadrukt bovendien dat de producten waarop de zaak betrekking heeft uit zogenoemde C-gebieden komen. De organisatie wijst erop dat in Israëlische bedrijven in deze gebieden ook Palestijnen werkzaam zijn. Daardoor zouden niet alleen Israëlische ondernemingen, maar eveneens Palestijnse werknemers en hun gezinnen door het handelsverbod worden geraakt. Tijdens de rechtszaak werden getuigenissen van Palestijnse medewerkers voorgelezen die vertelden welke gevolgen de maatregel voor hen kan hebben.
'Pure symboolpolitiek'
Een belangrijk juridisch bezwaar van IPC is dat buitenlandse handel volgens de organisatie een exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie is. Nederland beroept zich bij de nationale maatregel op de openbare orde. Van Oordt zet daar grote vraagtekens bij.
"Het is een slordige maatregel en bovendien pure symboolpolitiek", zegt hij. "Buitenlandse handel is een exclusieve taak van de EU. Nederland heeft met deze maatregel een geitenpaadje gevonden door de uitzondering te gebruiken dat de openbare orde in het geding zou zijn. Ik zie niet in hoe het kopen van een flesje wijn de openbare orde in Nederland zou kunnen verstoren."
IPC kondigde juridische stappen al in juli aan. Advocaat mr. A. Mouritz noemde het handelsverbod destijds namens het centrum "juridisch volstrekt onhoudbaar, willekeurig en onrechtmatig". Behalve de Europese bevoegdheidsverdeling wees IPC toen op het ontbreken van een overgangsperiode, het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van godsdienst.
Die laatste kwestie hangt samen met de christelijke identiteit van het Israël Producten Centrum en de verbondenheid met Christenen voor Israël. IPC betoogde eerder dat de verkoop van producten uit wat de organisatie het "Bijbelse hartland" noemt niet uitsluitend een commerciële activiteit is, maar mede voortkomt uit religieuze solidariteit met Israël en het Joodse volk.
Opperrabbijn vreest precedentwerking
Ook de European Jewish Association heeft zich bij het kort geding aangesloten. Opperrabbijn Jacobs uit zorgen over wat de maatregel volgens hem voor de Joodse gemeenschap kan betekenen. "Geen haar op mijn hoofd denkt eraan om Nederland te verlaten. Maar als het leven hier onmogelijk gemaakt wordt, dan veroorzaakt dat veel angst bij de Joodse gemeenschap."
Vooral de mogelijke precedentwerking baart hem zorgen. "Joden worden gecriminaliseerd als ze een flesje wijn willen kopen uit deze gebieden", stelt Jacobs.
Christenen voor Israël en IPC waarschuwden eerder al voor een bredere ontwikkeling waarin Israël volgens hen steeds verder geïsoleerd raakt. Het Israël Producten Centrum verkoopt vanuit Nijkerk onder meer wijn en andere levensmiddelen uit Israël. De organisatie had de Staat in juli formeel gesommeerd van het handelsverbod af te zien en kondigde toen aan naar de rechter te stappen wanneer daaraan geen gehoor zou worden gegeven.
Nu het kort geding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, ligt de kwestie bij de rechter. Die zal uiterlijk 16 september uitspraak doen, zes dagen voordat de maatregel volgens Christenen voor Israël in werking moet treden.











































Praatmee