Paulus gelooft niet dat de komst van Christus het einde betekent voor Israël

Paulus schrijft vol emotie en met grote betrokkenheid op zijn eigen volk: Ik zou wel willen bidden van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders. In Romeinen 7 vereenzelvigde Paulus zich met de niet-Joden. Nu staat hij (in Romeinen 9, red.) met heel zijn hart midden tussen Israël.
Al eerder heeft hij over de voorrechten van Israël gesproken. In Romeinen 1:16 schreef hij dat het evangelie een kracht van God is, allereerst voor de Jood. Hij heeft het nut van de besnijdenis benoemd en gezegd dat het Joodse volk de woorden van God zijn toevertrouwd (3:1-2). En nu pakt hij helemaal uit. Onomwonden noemt hij de acht voorrechten van Israël: De Joden zijn door God als kinderen aangenomen, zij hebben de ervaring van Gods heerlijkheid. Hij heeft ervoor gekozen in hun midden te wonen, al eeuwen is Zijn Aanwezigheid tastbaar in de tempel (Ex. 29:43).
Wil je verder lezen?
Als lid krijg je onbeperkt toegang tot cvandaag.nl
Praatmee