cip.nl is nu cvandaag.nl
Start gratis maand
Dr. van der Sluijs
Dit artikel is nu opgeslagen in je dashboard.
Bewaar artikelen in je dashboard.

Dagelijks leven

26 juli 2022 door Dr. C. A. van der Sluijs

Stop met ridiculiseren en bagatelliseren van de leer van de uitverkiezing

Zonder namen te noemen stel ik vast dat de leer van de verkiezing voor de zoveelste keer wordt geridiculiseerd en gebagatelliseerd. Men dient dan echter voor de zoveelste maal te bedenken dat men dan de leer van de Bijbel en van de Reformatie ondergraaft. Een uiterst bedenkelijke ontwikkeling.

cvandaag Premium logo

Dit artikel is je cadeau gedaan door cvandaag Premium lid Leendert Kuijl.

Word ook lid

Calvijn gaat van de rechtvaardiging terug op de wortel; de uitverkiezing, en vooruit naar de vrucht: de heiligmaking. Die heiligmaking staat in het perspectief van de ‘dubbele predestinatie’. Nadrukkelijk stel ik dat de dúbbele predestinatie, namelijk de verkiezing én de verwerping Calvijns leer van zonde en genade kwalificeert. Als men de dubbelheid in de predestinatieleer van Calvijn niet onderschrijft, loopt men de kans de hele leer van Calvijn te ontwrichten. Dan lopen de begrippen ‘zonde’ en ‘genade’ gevaar andere contouren aan te nemen en de inhoud daarvan verschuift navenant van het theologische naar het antropologische. Met andere woorden: de leer van God loopt gevaar te worden vermenselijkt! Dit raakt dan uiteraard de leer van de rechtvaardiging én van de heiliging. Alles hangt nu eenmaal met alles samen.

Zó is de heiliging het werk van God de Vader, die verkiest. Door ons leven te vernieuwen, doet God de Vader Zijn beeld in ons herleven. Ik citeer uit de Institutie: “De wedergeboorte heeft geen ander doel dan dat Gods beeld, dat door Adams overtreding bezoedeld en bijna uitgewist was, in ons hersteld wordt” (3, III, 9). Tegelijkertijd is hiermee gezegd dat wij de heiliging van ons leven, evenals de rechtvaardiging, alleen hebben in God de Zoon, die verlost. De Heilige Geest is immers de band, waardoor Christus zich krachtdadig aan ons verbindt (3,I, 1).

Het hedendaagse remonstrantsme dient als een geraffineerde en doodgevaarlijke zaak onderkend te worden. 

Nu is de menselijke verantwoordelijkheid ongetwijfeld een Bijbels motief. Anders wordt het wanneer dit Bijbelse motief vanuit de mens wordt bepaald en ingevuld. Dit nu was het geval met het remonstrantisme van toen en is nog immer karakteristiek voor het remonstrantisme van vandaag. Daarbij lijkt het verschil met het calvinisme miniem. Maar in wezen is dit het verschil tussen leven en dood. Vandaar dat het hedendaagse remonstrantisme als een geraffineerde en doodgevaarlijke zaak onderkend dient te worden. Daaraan hangt het leven van de kerk in deze postmoderne tijd!

Kenmerkend voor het remonstrantisme is zijn mensmiddelpuntigheid. En daarin is het wezenlijk tegengesteld aan het calvinisme, met zijn gerichtheid op God. Want het geloven krijgt hier bij de remonstranten als voorwaarde een éigenwaarde. Geloven wordt hier van een gave een ópgave. Buitengewoon listig geformuleerd, verslaat dit remonstrantisme in onze tijd nóg zijn duizenden. De mens wordt in een verkeerd verstane verantwoordelijkheid gemanipuleerd en daarmee in feite geëerd, in plaats dat God alle eer ontvangt in het behoud van zondaren.

‘Dordt’ belijdt daarentegen dat het geloof niet de oorzaak, maar de vrucht is van Gods eeuwige besluit. De grond van de zaligheid ligt niet in de mens, maar in God! ‘Dordt’ fundeert het Evangelie daarom in de soevereiniteit van God. Waar dit niet gebeurt, wordt het op losse schroeven gezet en baart het een tijdgeloof. Gods vrijmacht en ’s mensen onmacht realiseren zich beide in het antwoord van de mens op het Woord van God, waarbij en waarin de menselijke verantwoordelijkheid is gegeven. Deze realiseert zich nooit vanuit eigen werkzaamheid, maar vanuit Gods werkzaamheid in de verkondiging van de grote daden van God

Ondertussen belijdt ‘Dordt’ de zwaar geladen verantwoordelijkheid van hen die Gods béloven niet zullen géloven (DL I, 4). Het wél geloven is dan geen ”eigen werk”. Bij het activistisch ”aannemen” en haar dienovereenkomstige prediking moet men erop gewezen worden dat de belijdenis van de Kerk dit ”aannemen” omschrijft als „met een waarachtig en levend geloof omhelzen” (DL I, 4). Men heeft dan zijn verantwoordelijkheid waargemaakt in het ”horen” dat God Zijn Woorden waarmaakt in Jezus, de Christus. „Hoort, en uw ziel zal leven” (Jesaja 55:3).

Voor ‘Dordt’ komt dan de verwerping in de prediking niet aan de orde als mededeling, maar deze kan zich in de prediking voltrekken. Niet als de logische maar als de doxologische (op de lofprijzing gerichte) keerzijde van de verkiezing. De verkiezing realiseert en concretiseert zich dan in de vólharding en de verwerping in de vérharding. Zowel in het ene als in het andere, beleed Calvijn, wordt de eer van God (gloria Dei) verheerlijkt.

Verbond, prediking en verkiezing zijn ongeveer identieke begrippen geworden. 

Het opheffen van deze heilzame spanning in het ‘Dordtse’ denken leidt echter tot het verglijden en wegglijden in een algemeen en hopeloos oppervlakkig worden van het gereformeerde leven, waarin de hoogten en de diepten van het verzoende leven ten enenmale onbekend zijn geworden. En wel omdat deze niet meer gepredikt worden!

Daarbij moet worden vastgesteld dat het Barthianisme ook zijn invloed op de hedendaagse orthodoxie heeft gehad en nog doet gelden. Verbond, prediking en verkiezing zijn daarbij ongeveer identieke begrippen geworden. En wel zó dat de verkiezing opgaat in de prediking. Verkiezing is dan niet meer een onderstreping van het genadekarakter van het geloof, maar een accentuering van de plichtmatigheid van het geloof als realisering van onze zogenaamde verantwoordelijkheid. De menselijke verantwoordelijkheid wordt evenwel niet waargemaakt of verwerkelijkt in de toewending van de mens naar God, maar in de genadige toewending van God naar de mens. De verantwoordelijkheid van de mens is niet ántropologisch (vanuit de mens) bepaald, maar théologisch (vanuit God). Populair gezegd, betekent dit dat ook in dit opzicht „de mens erbuiten valt” en wel volledig.

Waar men enerzijds de predestinatie als geïsoleerd idee in theologie en prediking laat domineren, poogt men vaak anderzijds de ontstane lacune in de prediking te compenseren met een zogenaamde „ruime belofteprediking”. Maar als deze belofteprediking niet chrístologisch is geënt in het „eenmaal eens voorgoed” van het werk van de Zoon en niet tegelijk théologisch is geijkt vanuit het eeuwig welbehagen en het Vaderlijk mededogen, dan moet er pneúmatologisch (met betrekking tot het werk van de Geest) een kortsluiting optreden, waarbij en waardoor de gemeente tekort wordt gedaan. En wel voor eeuwig!

Een verwerpelijke prediking zou wel eens alles te maken kunnen hebben met de verwerping van de prediker en mogelijk zo van hen, die hem horen en geloven. De verantwoordelijkheid van de mens wordt door Dordt dieper en breder beleden dan we wellicht voor mogelijk hielden. Doorslaggevend is immers voor beiden de eeuwigheidsdimensie vanuit trinitarische prediking, dan wel prediking van uit de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Het gaat ‘Dordt’ van begin tot eind om het genadekarakter van het geloof. Daarbij is de gereformeerde theologie diep doorgedrongen in en doordrongen van de transcendentie (verhevenheid) van God. ‘Dordt’ voert een pleidooi voor het waarlijk God zijn van God.

Daarom zal In de lijn van Augustinus en van de Reformatie de prediking voor geen tweeërlei uitleg vatbaar zijn. De toonzetting van en in de genade is bepalend voor het Bijbelse gehalte en de belijdende gestalte van de prediking. In de prediking zal dan de verkiezing niet aangevuld behoeven te worden met een speciale openbaring, bestaande uit een mededeling van wat in Gods raad besloten is, maar vanuit de prediking wordt de verkiezing openbaar in het gaan van de weg van het geloof. En Calvijn beroept zich dan ook nadrukkelijk op Augustinus - en zó op de Oude Kerk - die Christus predikte als het “helderste licht van verkiezing en genade” (clarissimum lumen praedestinationis et gratiae).

Als in de gereformeerde gezindte de leer van de predestinatie het beste bewaard is gebleven, zou daar het meeste van de aanbidding gevonden moeten worden. 

Anderzijds heeft het christo-monisme (alleen door Christus) van Karl Barth met zich mee gebracht dat de Bijbelse triniteitsleer in de verdrukking kwam en als uitvloeisel daarvan wordt veel zogenaamde ‘rechtzinnige’ Christus-prediking, waarbij de verkiezing maar zo veel mogelijk wordt verzwegen, hoogst bedenkelijk! Nee, het besluit van de verkiezing wordt niet genomen door een ‘onbekende’ God, want Hij beschikt tegelijk de geopenbaarde middelen om de zaligheid te schenken. Maar als men in de ‘rechtzinnige’ prediking zo graag naar de middelen verwijst, moet men echter wél bedenken dat Christus als de Middelaar daarin de eerste en alles bepalende plaats behoort in te nemen.

Met “uitverkoren in Christus” (D. L. I, 7) belijdt Dordt dat we niet uitverkoren zijn óm Christus, maar om dóór Christus en door het geloof in Hem de zaligheid te verkrijgen. En zó is Christus “het fundament der zaligheid” (D. L. I, 7) en niet het fundament der verkiezing (Barth). Juist zó wordt de soevereiniteit van God gevrijwaard van antropologische (menselijke) elementen.

Niettemin krijgt deze soevereiniteit van God ook een christologische dimensie als eveneens beleden wordt, dat God “ook besloten heeft de uitverkorenen aan Hem (Christus) te geven” (D. L. I, 7).

Zo gezien zal de predestinatie geopenbaard worden in de roeping. Dordt belijdt dan duidelijk de “inwendige roeping” als binnenkant van de “uitwendige roeping”, die zich voltrekt onder de éne prediking van het Woord van God. En dan blijkt dat beiden ten nauwste op elkaar betrokken en van elkaar doortrokken zijn. Dan is het goed om te luisteren – te midden van allerlei wind van leer - naar het kloppend hart van de Kerk. Waar dit niet klopt, daar klopt de leer en de dienovereenkomstige prediking niet!

En als het waar is dat in de gereformeerde gezindte in ons land de leer van de predestinatie het best bewaard is gebleven, dan zou daar navenant het meest van de aanbidding gevonden moeten worden. En ongetwijfeld wordt deze daar ook gevonden, echter verhoudingsgewijze dan toch maar incidenteel. Niet de aanbidding, maar de berekening en de beredenering in de prediking of de berusting dan wel een feitelijke miskenning, maken veelal de dienst uit van God! Zeer zorgwekkend!!

Dr. C. A. van der Sluijs reageert met bovenstaande bijdrage op dr. G. A. van den Brink die eerder stelde dat er in de reformatorische wereld sprake is van een "levensgevaarlijke dwaling"

cvandaag Premium logo

Christenen die meer diepgang willen kiezen voor cvandaag Premium

Je las net een gratis cvandaag Premium artikel. Meld je aan en start je gratis maand.

Start je gratis maand

Uitverkiezing
- Refodominee diep beledigd door lezing HHK-predikant: "Hij betovert onze jongeren"
- HHK-predikant wijst op reformatorisch probleem: “Dominees prediken levensgevaarlijke dwaling”
- HHK-predikant creëert op subtiele wijze zélf een Evangelie met kleine lettertjes
- “Levensgevaarlijke dwaling” in reformatorische gezindte: 4 ervaringsdeskundigen
- Een boodschap voor wie lijdt onder “misleidende prediking” in reformatorische gezindte
Meer over Uitverkiezing »

Praat mee

Alleen cvandaag Premium leden kunnen reageren op artikelen. Word ook cvandaag Premium lid, praat mee en geniet van nog veel meer voordelen!
Bekijk alle voordelen Inloggen

Reacties

K
Jezus zei: komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt. Hebben we daar echt een reformatorische zuivere preek in de lijn van Calvijn en de Dordtse Leeregels nodig? Is het echt nodig dat wij de triniteit zuiver krijgen verkondigt krijgen? Is het echt nodig overal de juiste theologische verhoudingen te bewaken? Inclusief het immer dreigende uitverkoren tot een eeuwig verderf? Snapt u zelf niet dat de gelovigen in de kerk met dit soort kretologie alleen maar meer belast wordt en daarmee het zicht op Jezus kwijt raken?