Lichtheid in crisis: vreugde die blijft als alles wankelt

Ik kan me voorstellen dat mensen niet begrijpen waarom “vreugde” een waarde kan zijn van een humanitaire organisatie. We werken toch in gebieden die getroffen worden door een oorlog of ramp? We zien toch mensen in de meest verschrikkelijke omstandigheden? Toch vinden we licht in de meest duistere plaatsen op aarde. Dat is omdat God ons vreugde geeft ondanks de omstandigheden. Ik geloof ook dat God ons een gevoel voor humor geeft. Aan humanitaire hulpverleners heeft Hij misschien een extra dosering humor gegeven. Ik wil u daar graag iets van laten proeven door u een paar mooie en lachwekkende verhalen te vertellen van mijn collega's en ik van Medair in het zogenoemde “veld".
Estafette (Soedan, 2010)
We woonden in west Soedan op een compound met hoge muren en prikkeldraad. Mogelijkheid om naar buiten te gaan was er maar weinig. Als team besloten we om iets leuks te maken van ons compoundleven. Op een dag organiseerde ik een estaffetterace op het kantoorterrein. Geen van onze Soedanese staff wilde meedoen. Toen durfden er toch een paar collega's de stap te wagen. Toen er één schaap over de dam was, volgden er meer. Eerst waren de mannen aan de beurt. De dames lagen dubbel van het lachen. Toen kreeg een van de vrouwen de moed om mee te doen. Ze moest een team van dames samenstellen, want cultureel gezien konden mannen en vrouwen niet samen in een team. Op een gegeven moment kropen zowel het mannenteam als het vrouwenteam over de stoffige vloer om de race te winnen. Het was voor mij prachtig om te zien dat de collega's de moed hadden om zichzelf voor schut te zetten en er gewoon over konden lachen. Voor mij was dat het teken dat we elkaar beter konden vertrouwen.
Nederigmakend (Bangladesh, 2017)
Op een dag was ik in een afgelegen deel van het reusachtige vluchtelingenkamp voor Rohinga's uit Myanmar waar ik werkte. Het was lunchpauze en ik wilde gaan kijken op de plek waar bulldozers bezig waren om een stuk van een heuvel weg te halen om het land vlak te maken. Het kamp was overbevolkt en we hadden meer ruimte nodig. Waar ik niet overna had gedacht, is dat als je grond verplaatst er drijfzand kan ontstaan. Ik liep de talud op, en jawel, ik begon te zinken! Eerst dacht ik er wel uit te kunnen komen, maar ik zat al tot mijn middel in de modder. Er was niemand in zicht. Iedereen was aan het lunchen.
Oh nee! Wat ga ik nu doen?
Een half uur lang probeerde ik mezelf uit de modder te halen. Maar tevergeefs. Er was geen andere optie.
“Help!” schreeuwde ik zo hard als ik kon. “Ik zit vast!”
Daar waren een paar Rohinga mannen in longhis. Ze hadden geen schoenen aan. Ze moeten hun hoofd wel hebben geschud toen ze een lange, blanke man in de modder zagen spartelen. Zij hebben me er uiteindelijk uitgegraven. Ik kwam er gelukkig met schaamte alleen vanaf.
Vreemde ondergrondse kamergenoten (Oekraïne, 2023)
Als je de hele nacht in de kelder slaapt, weet je nooit wie je kamergenoten zullen zijn. Ik deed dat wel vaker omdat ik geen zin meer had om mijn bed uit te gaan tijdens een luchtalarm. Op een nacht, toen ik wakker werd in de ondergrondse conferentieruimte van mijn hotel in Kharkiv om naar het toilet te gaan, besefte ik plotseling dat ik 20 kamergenoten meer had dan toen ik in slaap viel. En toen ik op een ochtend in de lobby van datzelfde hotel zat, dacht ik dat ik twee mannen vrolijk een lijk naar de kelder zag dragen. Het duurde even voordat ik in lachen uitbarstte. Het was een reanimatiepop! Hotels lijken die hier vaak te hebben. Het was al eens eerder voorgekomen, in de kelder van een ander hotel, dat mijn collega dacht dat haar kamergenoot van de vorige nacht (een medewerker van het hotel) er erg ziek uitzag. Het bleek ook een reanimatiepop te zijn. Hoe dan ook, ik was de pop helemaal vergeten tot ik 's avonds mijn kampeermatje, kussen en deken naar de conferentiezaal bracht. Daar lag hij! Mijn muisstille kamergenoot. Het hotelpersoneel probeerde me ervan te overtuigen dat ik niet bang voor hem hoefde te zijn door me zijn naam te vertellen: Felix. Hoewel dat ‘gelukkig’ betekent in het Latijn, leek Felix niet veel emotie te hebben. Ik legde mijn matras naast hem neer, zodat hij niet het eerste was wat ik zou zien als ik wakker werd.
Onderbroekenlol (Afghanistan, 2026)
In de Afghaanse cultuur zijn er veel onderwerpen waar mensen niet over willen praten. Ik ben een Nederlandse vrouw en ik werk met 35 mannen. Dat levert soms hilarische situaties op. Laatst ook. Voor een van onze projecten delen we dozen met toiletartikelen uit voor de meest kwetsbare mensen in afgelegen gebieden. In deze doos zit ook vrouwenondergoed en maandverband. Op een dag kwam mijn mannelijke collega schoorvoetend mijn kantoor binnen. Ik zag al meteen dat hij zich schaamde om me iets te vertellen. “Wat is er aan de hand?” vroeg ik.
“Ehm...” Hij keek naar de vloer en zei toen heel zachtjes: "Het ondergoed in de doos... Ik denk niet dat het klopt.”
“Oh, waarom denk je dat?”
“Ik denk dat het kindermaten zijn.”
Het was moeilijk om mijn glimlach te verbergen. Hij wilde het nu de doos niet voor me openmaken en het me laten zien, want er waren een aantal mannelijke arbeiders op kantoor. Hij zou me er wel een paar brengen.
Later kwam hij mijn kantoor binnen, zijn handpalmen gesloten om een onzichtbaar voorwerp heen. Hij legde het kledingstuk neer op mijn bureau en deed snel een stap naar achteren. Ik pakte een van de onderbroeken op en hield het voor me, zodat ik het goed kon bekijken. Het was een gigantische maat.
“Wat moeten we nu doen?” vroeg hij, terwijl hij wegkeek, zodat hij niet hoefde te zien dat ik de onderbroek nog een stukje uitrekte. “Hoe gaan we in overleg met de leverancier om de juiste maat te leveren?”
Ik moest op mijn tong bijten om niet in lachen uit te barsten. “Maak je maar geen zorgen,” verzekerde ik hem uiteindelijk. “Deze maat zal vrouwen prima passen.”
































Praatmee