Pakistaans Hooggerechtshof spreekt laatste verdachten vrij van moord op christelijk echtpaar
Het Hooggerechtshof van Pakistan heeft de laatste drie mannen vrijgesproken die nog waren veroordeeld voor de gruwelijke moord op het christelijke echtpaar Shahzad Masih en Shama Bibi. Het echtpaar werd in 2014 levend verbrand nadat zij ten onrechte waren beschuldigd van godslastering.
Volgens de rechters kon het Openbaar Ministerie niet overtuigend bewijzen dat de drie mannen daadwerkelijk betrokken waren bij de moord. Er zouden te veel tegenstrijdigheden zijn in getuigenverklaringen en ander bewijsmateriaal, zo merkt Morning Star News op.
Levend verbrand na valse beschuldiging
Shahzad Masih en zijn zwangere vrouw Shama Bibi, ouders van drie jonge kinderen, werden op 4 november 2014 aangevallen door een woedende menigte in Kot Radha Kishan, in de provincie Punjab. De twee werden mishandeld en vervolgens in een steenoven gegooid, waar zij levend verbrandden. Aanleiding was een beschuldiging dat zij pagina's uit de Koran zouden hebben verbrand. Volgens hun familie was die beschuldiging vals.
Na de moord werden aanvankelijk 660 verdachten genoemd. In 2016 kregen vijf mannen de doodstraf en werden acht anderen veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Later sprak een hogere rechtbank al twee van de vijf terdoodveroordeelden vrij. Met de uitspraak van het Hooggerechtshof zijn nu ook de laatste drie vrijgesproken.
De christelijke advocaat Basharat Masih was aanwezig bij de rechtszitting. Hij merkt op dat de rechters begonnen met het uitspreken van hun medeleven aan de nabestaanden. "Maar zij benadrukten ook dat zij de zaak uitsluitend op basis van de wet konden beoordelen." De rechters wezen op grote verschillen tussen de verklaringen van getuigen, politie en familieleden. Ook was bij verschillende verdachten onvoldoende duidelijk welke rol zij precies zouden hebben gespeeld.
Teleurstelling en bezorgdheid
Basharat Masih noemt de uitspraak pijnlijk. "Het is hartverscheurend dat ook de laatste verdachten zijn vrijgesproken", zegt hij. "Tegelijkertijd heeft het Openbaar Ministerie geen juridisch sluitende zaak opgebouwd. Die tekortkomingen hebben uiteindelijk in het voordeel van de verdachten gewerkt."
Ook strafrechtadvocaat Lazar Allah Rakha ziet de uitspraak als een teken van zwakte in het Pakistaanse rechtssysteem. "Deze zaak laat zien hoe belangrijk een zorgvuldig onderzoek en een goede voorbereiding van de rechtszaak zijn. Daarin is het misgegaan."
De Pakistaanse Katholieke Bisschoppenconferentie en de Nationale Commissie voor Gerechtigheid en Vrede (NCJP) reageren met grote bezorgdheid. In een gezamenlijke verklaring schrijven zij dat de vrijspraak past in een patroon waarbij daders van geweld tegen religieuze minderheden vaak ongestraft blijven. De kerkleiders roepen de Pakistaanse overheid op om religieuze minderheden beter te beschermen en politie en justitie ter verantwoording te roepen wanneer onderzoeken onvoldoende worden uitgevoerd.
Godslasteringswetten onder vuur
De Pakistaanse godslasteringswetten liggen al jarenlang onder vuur van mensenrechtenorganisaties. Volgens hen worden de wetten regelmatig misbruikt om persoonlijke conflicten uit te vechten, eigendommen af te nemen of religieuze minderheden, waaronder christenen, het leven zuur te maken. Beschuldigingen van godslastering leiden regelmatig tot geweld door woedende menigten en tot langdurige gevangenschap van de beschuldigden.
Volgens de Ranglijst Christenvervolging van Open Doors staat Pakistan op de achtste plaats van landen waar christenen het zwaarst worden vervolgd.







































Praatmee