Toen Sem Pruijs blind werd, bracht zijn zoektocht hem bij Jezus

Als kind stelde Sem Pruijs al grote vragen over God en het leven. Hij verloor zijn geloof en zag uiteindelijk geen reden meer om te leven. Juist nadat hij op zijn zestiende vrijwel blind werd, begon een zoektocht die hem terugbracht bij Jezus. "Toen ik erachter kwam dat Jezus echt is opgestaan uit de dood, dacht ik: dit hoort gewoon iedereen te weten."
Pruijs groeit op in een gereformeerd-vrijgemaakt gezin en gaat iedere zondag naar de kerk. Als klein jongetje hoort hij Jezus' woorden dat een geloof als een mosterdzaadje bergen kan verzetten. Hij besluit de proef op de som te nemen.
"Ik ging op mijn kamertje op mijn knieën en ging bidden. Ik had echt geloof." Zijn gebedsverzoek: de nieuwste Legodoos. Die staat er de volgende ochtend niet. Niet veel later ontdekt hij dat ook Sinterklaas niet bestaat. "Ik dacht: de dingen die volwassenen tegen mij hebben gezegd, waren niet waar. Toen begon ik vragen te stellen: hoe zit het dan rondom het christendom?"
Het zijn voor een kind grote vragen. Hoe kan God bestaan als er kwaad is? Is leven beter dan sterven? Hebben mensen een vrije wil?
Nooit zeker weten?
In de kerk vindt Pruijs niet de antwoorden die hij zoekt. "Het antwoord dat ik heel vaak terugkreeg was: we kunnen dingen nooit echt zeker weten en daarom is het geloven. Ik vind het fijn voelen en daarom denk ik dat het waar is."
Dat antwoord overtuigt hem allerminst. "Ik dacht: dat is me één keer gebeurd bij Sinterklaas. Dat ga ik me niet een tweede keer laten gebeuren. Ik wil dingen geloven die waar zijn."
Uiteindelijk stopt hij met geloven. Het leven verliest daarmee voor hem ook zijn betekenis. "Als je vijf keer 'waarom?' vraagt, kom je heel snel uit bij: waarom besta je? Waarom leef je?"
Depressie
Pruijs belandt in een depressie. "Bijna niks interesseerde me meer. Mensen zeiden: 'Ga naar school, ga dit doen, ga dat doen.' Maar ik vroeg: 'Waarom zou ik dat doen?' Ik kreeg geen antwoord."
Ook gesprekken met psychologen lossen zijn diepste vraag niet op. "Een psycholoog weet heel veel over het brein, maar kan niet zeggen: 'Dit is de reden waarom mensen leven.' Dat is helemaal niet haar vakgebied."
Op een gegeven moment besluit Pruijs een einde aan zijn leven te maken. Hij stapt op de fiets richting de plek waar hij dat wil doen. Halverwege keert hij om. "Ik wist niet zeker of er wel of geen leven na de dood was. Stel dat er leven na de dood zou zijn en ik mijn ouders bij mijn eigen begrafenis zou zien, dat zou ik heel moeilijk vinden."
Minder dan één procent zicht
Op zijn zestiende volgt opnieuw een ingrijpende gebeurtenis. Pruijs zit thuis op de bank en kijkt naar zijn moeder in de keuken. Opeens kan hij haar gezicht niet meer zien.
Na verschillende onderzoeken krijgt hij te horen dat hij Leber's opticus atrofie heeft en vrijwel zijn volledige gezichtsvermogen zal verliezen. Op enig moment heeft hij minder dan één procent zicht.
"Ik schilderde destijds veel en programmeerde. Dus ik typte veel achter mijn laptop. Probeer dat maar eens te doen als je je scherm niet ziet. Dat was heel erg moeilijk."
Hij komt terecht bij Bartiméus, waar hij onderwijs krijgt voor blinden en slechtzienden. Uitgerekend daar wordt een opmerking van een geschiedenisdocent het begin van een nieuwe zoektocht. "Zij zei dat historici het erover eens zijn dat Jezus heeft bestaan. Dat vond ik wel heel gek voor een sprookje."
Pruijs besluit het te onderzoeken. Met software die zijn beeldscherm voorleest, zoekt hij naar informatie. "Toen kwam ik heel interessante filosofische en historische argumenten tegen die probeerden aannemelijk te maken dat Jezus is opgestaan uit de dood en dat het christendom niet een sprookje was."
De oerknal
Hij leest christelijke boeken, maar wil ook de andere kant kennen. Daarom verdiept hij zich onder meer in atheïstische auteurs als Richard Dawkins en Sam Harris. Langzaam verandert zijn wereldbeeld. Vooral het kosmologische argument voor het bestaan van God maakt indruk. Daarbij speelt opmerkelijk genoeg de oerknal een belangrijke rol.
"Het universum had een begin. Alle moleculen zijn gekomen uit de oerknal." De oorzaak daarvan moet volgens Pruijs uiteindelijk buiten het materiële universum liggen. "Dus iets wat buiten tijd en materie is. Iets wat er altijd al is geweest en wat niet tastbaar is."
Voor hem was die gedachte een schok. "Als dit mogelijk is, als vanuit niets alles kan ontstaan, dan zijn wonderen dus mogelijk." Daarmee keek hij ook anders naar het eerste vers van de Bijbel. "Het grootste wonder is Genesis 1 vers 1: 'In het begin schiep God de hemel en de aarde.' Als God dit allemaal kan maken, is een Man Die uit de dood opstaat in principe mogelijk."
In het IJsselmeer
Pruijs gaat vervolgens het Nieuwe Testament lezen. Daar ontmoet hij niet alleen argumenten, maar vooral de persoon van Jezus. "Ik werd zo door Herm geraakt. Jezus was niet zomaar een heilige man. Hij was ook heel persoonlijk. Hij wilde echt bij je zijn, met jou lopen, zelfs met jou een visje eten toen Hij was opgestaan uit de dood." Dat raakt Pruijs. "Ik dacht: ik wil die Man beter leren kennen."
Tijdens een wandeling bij Urk praat hij later met een oudere christen over de doop. Pruijs heeft al langer het verlangen zich te laten dopen en stelt plotseling voor het direct te doen. "Ik zei: 'Zullen we hier dopen?'"
Even later staat hij in zijn onderbroek in het koude IJsselmeer. "Hij heeft mij daar gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest." Voor Pruijs markeert het een nieuw begin. "Nu ga ik een pad op met Jezus."
Dat zijn slechte zicht uiteindelijk een belangrijke rol speelde in zijn zoektocht naar God, vindt hij ingewikkeld. "Ik geloof niet dat God kwaad wil." Tegelijkertijd ziet hij hoe God het heeft gebruikt. "Als ik niet naar Bartiméus was gegaan en die geschiedenisdocent niet had ontmoet, was ik misschien nog steeds depressief of nog erger."
Zijn toekomstdoel is inmiddels radicaal anders dan in de periode waarin hij het bestaan zinloos vond. "Mijn droom? Ik wil echt dat iedereen christen wordt. Toen ik erachter kwam dat Jezus echt is opgestaan uit de dood, dacht ik: dat hoort gewoon iedereen te weten. Dat is zo'n fenomenaal feit. Dit is het goede nieuws. Jezus is er echt voor iedereen. En ik vind dat iedereen dat moet weten."





































Praatmee