Judith Fanto: "Uit iets heel moeilijks, is iets heel moois voortgekomen"

Ineens was ze er in 2020, schijnbaar uit het niets. Met een plofje landde haar debuutroman Viktor midden in het Nederlands-literaire landschap. Daarna ging het snel: het boek, losjes gebaseerd op haar Joodse familiegeschiedenis, won de Hebban prijs voor het beste literaire debuut en werd een enorme bestseller. In 2025 volgde haar tweede historische roman Narcis, eveneens een groot succes en dit jaar genomineerd voor de NS Publieksprijs. Wie is deze vrouw, die zich kan verheugen in een grote schare christelijke lezers? Hoog tijd voor een nadere kennismaking met Judith Fanto: Joodse vrouw, schrijver, jurist en moeder van drie kinderen.
Voordat we beginnen: wat vind je eigenlijk van de volgorde van deze opsomming?
"Nou, wat jij opnoemt bestaat natuurlijk allemaal naast elkaar. Maar als ik per se een rangorde moet aanbrengen, dan zou ik zeggen dat ik op de eerste plaats moeder ben. Deze tijd brengt, zeker ook voor jongvolwassenen, heel specifieke uitdagingen met zich mee. Ik merk dat onze kinderen het fijn vinden om met ons over allerlei zaken van gedachten te wisselen. En verder ben ik nog wel wat meer dan jurist en schrijver, hoor! Ik ben ook dochter, echtgenote, vriendin…"
Het valt me op dat je ‘Joodse vrouw’ zelf niet in het rijtje noemt.
"Dat is waar. Mijn Joodse identiteit is geen rol die ik vervul. Het Joods zijn is diep in mij verankerd, zoals bijvoorbeeld mijn bloedgroep en mijn persoonlijkheid dat zijn; kenmerken die mij door geboorte definiëren als mens - helemaal vanzelf en geheel vanzelfsprekend. Ik zou in dat rijtje ook niet mijn schoenmaat vermelden."
In hoeverre leid je ook aan de buitenkant een Joods leven?
"Als je bedoelt hoe vaak ik naar sjoel ga: weinig. Te weinig. Om eerlijk te zijn ben ik zelfs lid van een orthodox-Joodse gemeente, maar ik heb nooit een kosjere huishouding gevoerd en ik werk regelmatig op zaterdag. Wat het lastig maakt, is dat het jodendom heel erg een ‘doe’-godsdienst is, gericht op een actief Joods leven vol vaste gewoonten en rituelen. En hoewel ik mijzelf beschouw als een religieus mens, merk ik dat mijn geloof zich, naarmate ik ouder word, juist steeds meer vanbinnen afspeelt. Zo is het heel Joods om een directe verbinding te voelen met God, maar staat de inhoud van de Hebreeuwse berachot en gebeden vast en kennen ze een vaste vorm en volgorde. Daar houd ik me slecht aan, het past me niet goed; liever bid ik tot de Eeuwige in mijn eigen woorden."
Je eerste roman Viktor gaat over familie, over familiegeheimen en je thuis voelen in een familie. Hoofdpersoon Geertje worstelt met de complexe regels en verwachtingen van haar Joodse familieleden - deels ingegeven door trauma, maar toch. Lijk jij in dat opzicht op haar? Is aanpassing aan dergelijke verwachtingen voor jou de reden geweest om pas na je 45e te gaan schrijven?
"In Geertje kun je mij zeker herkennen, al is ze eerder mijn gedroomde alter ego; op haar leeftijd was ik veel braver. Dat ik pas laat in mijn werkzame leven ben gaan schrijven, had een andere aanleiding. In 2015 kregen wij als gezin te maken met een moeilijke tijd. Mijn kerngezonde man Thomas kreeg uit het niets een herseninfarct, één van onze kinderen werd ernstig ziek en we kregen brand, waardoor we een half jaar niet thuis konden wonen. Ik besefte hoe belangrijk het was dat ik mentaal overeind zou blijven en bedacht een plan: ik kon niet meer werken als jurist, maar ik zou wel eindelijk die historische roman gaan schrijven, die al zo lang in mijn hoofd zat.
En het werkte: iedere avond, als iedereen sliep en ik achter mijn laptop zat, vertrok ik uit het heden; ik was niet eens meer in Nederland, maar in Wenen in 1928… Uiteindelijk is iedereen in ons gezin, als door een wonder, weer helemaal hersteld - en ik ben blijven schrijven. Zo is uit iets heel moeilijks, iets heel moois voortgekomen."
Hoe ziet een gemiddelde werkdag er voor jou uit? Of hangt dat af van je inspiratie?
"Nee hoor, ik wacht niet op inspiratie. Iedere ochtend begin ik met het huishouden en zorg dat ik om half tien achter mijn bureau zit. Nou vooruit, om tien uur. Mét een kopje koffie en een koekje, want ik maak het mezelf zo aangenaam mogelijk. Ik hoef ook niet te wachten op inspiratie, want ik weet wat ik die dag moet schrijven - ik weet zelfs wat ik die week moet schrijven. Het verhaal is door mij nauwkeurig ontworpen en staat vanaf het begin vast; de uitvoering geschiedt stap voor stap, iedere dag een beetje. Meestal kan ik maar enkele uren achter elkaar schrijven; het is een geestelijk uitputtende bezigheid, zó zeer leef ik me in mijn personages in.
Nadat ik ‘s middags met de honden in het bos heb gewandeld, is het tijd voor onderzoek. Voor mij is het essentieel dat alle historische feiten in mijn boeken tot in detail kloppen, dus ik besteed enorm veel aandacht en tijd aan lezen en het doen van archiefonderzoek. Daarvoor ben ik ook vaak in Wenen geweest. ‘s Avonds beantwoord ik persoonlijk alle e-mails die ik krijg van lezers - dat zijn er echt veel! - en handel ik organisatorische en administratieve zaken af, want ik geef lezingen in het hele land."
Met je boeken begeef je je op het kruisvlak van de psychologische en de historische roman. Dat doen niet veel auteurs. Verklaart dat het succes van je romans, denk je?
"Ik weet het niet zo goed, het is geen berekende keuze of zo; ik schrijf elke keer gewoon mijn eigen lievelingsboek. Kennelijk is het inderdaad een genre dat veel lezers aanspreekt. Overigens is het verleden in mijn boeken niet slechts het decor. Ik gebruik de historische context om wezenlijke vragen te stellen: kun je een ander werkelijk kennen? Hoe betrouwbaar is ons eigen perspectief? Wat doen maatschappelijke ontwikkelingen met individuele mensen, met hun families en met hun vriendschappen?"
Na het overdonderende succes van Viktor lag de lat hoog. In hoeverre heb je bij het schrijven van je tweede roman Narcis last gehad van die druk?
"Vreemd genoeg minder dan ik had verwacht. Eigenlijk gaf het succes van Viktor me juist het zelfvertrouwen dat ik nodig had om Narcis te kunnen schrijven. Dat had ik anders misschien niet gedurfd."
In Narcis zet het opkomend nationaalsocialisme in het Wenen van de 20’er en 30’er jaren de dynamiek in een hechte vriendengroep van zes jonge mensen op scherp. Hoe kwam je op het idee voor deze roman?
"Dat was niet moeilijk. Ik wist al dat mijn nieuwe boek ‘vriendschap’ als thema zou moeten hebben: die speciale chemie tussen mensen, die verwantschap buiten de bloedverwantschap. En de pijn die we bijna allemaal wel in meer of mindere mate kennen, als je door een echte vriend, iemand die je vertrouwde, wordt teleurgesteld. Of erger nog: verraden. Een dergelijk verdriet speelde op dat moment in mijn eigen leven. Toen herinnerde ik me deze geschiedenis, die mijn grootouders in grote lijnen zo hebben beleefd. Het is een ontroerend verhaal over vriendschap, verraad en de menselijke hang naar vergelding. Op die gebeurtenissen is mijn roman Narcis gebaseerd."
Niet alleen de vorm van je romans, maar ook je schrijfstijl is kenmerkend. Waarin onderscheidt jouw schrijfstijl zich van die van andere auteurs?
"Een journalist omschreef mijn schrijfstijl ooit als een ‘klassieke stijl’, en dat klopt wel denk ik. Mijn stijl past bij mij, en vooral ook bij de tijd waarin mijn romans zich afspelen. Ik bracht laatst een bezoek aan leerlingen van de zesde klas van een middelbare school in Barneveld, die met hun docent Nederlands gezamenlijk Narcis hadden gelezen. Eén jongen vroeg me: Waarom gebruikt u eigenlijk zoveel dure woorden in uw boek, zoals bijvoorbeeld ‘ofschoon’? Daar moest ik om lachen en ik antwoordde: Weet je, in het dagelijks leven gebruiken we maar pakweg vierduizend woorden uit de Nederlandse taal. Dat vind ik sneu voor die honderdduizenden andere, die zeker zo mooi zijn maar minder aan bod komen. Dus haal ik die af en toe van stal, gewoon om hen te troosten."
Ofschoon - ik zal het woord dan ook maar eens gebruiken - de verhalen uit Viktor en Narcis zich beide deels in Wenen afspelen, zijn het toch heel verschillende boeken. Zijn er meer overeenkomsten tussen je romans?
"Ik denk dat mijn boeken in feite altijd gaan over iets dat mij zelf mateloos fascineert: de enorme invloed van ontwikkelingen op het wereldtoneel op de levens van individuele mensen. Dat gaat mij natuurlijk ook persoonlijk aan: zonder de Jodenvervolging door de nazi’s hadden mijn grootouders niet uit Wenen hoeven vluchten, was mijn moeder mijn vader niet tegengekomen en was ik er dus niet geweest. Daarnaast gaat mijn werk over die ene, belangrijke vraag die ik mijzelf dagelijks stel: wie ben ik, of liever gezegd: wie wil ik zijn, als het moeilijk wordt?"
Beantwoord die vraag eens.
"Mijn grootouders zijn met hun jonge kinderen, dus mijn moeder en mijn oom, door gewone mensen met gevaar voor eigen leven verborgen. Dat is het morele ijkpunt geworden in mijn leven: als het moeilijk wordt, hoop ik dat ik iemand kan zijn die, zelfs als dit mijn leven of dat van mijn gezinsleden in gevaar brengt, onschuldige mensen helpt. Zo hoop ik de heldhaftige daad van deze verzetsmensen, als het ooit nodig is, met mijn moed te beantwoorden."
Hoe breng je dat over aan pubers, als je een school bezoekt?
"Daar moest ik inderdaad over nadenken, want oorlog, onderdrukking, schaarste en gevaar staan gelukkig ver van de meeste Nederlandse tieners af. Sterker: zij groeien op in een tijd die wordt gekenmerkt door preventie, overvloed en een ongekende hoeveelheid keuzemogelijkheden. Daarom praat ik met hen niet veel over oorlog of het Verzet, maar geef ik eenvoudige voorbeelden die aansluiten bij thema’s als ‘doorzetten als het moeilijk wordt’ of ‘persoonlijke veerkrachtigheid’. Dan zeg ik soms tegen leerlingen: Er komt een moment waarop je voor het eerst zonder je ouders op vakantie gaat, met een vriend of vriendin. Misschien ga je dan wel kamperen. Stel je eens voor: je bent moe want je hebt lang gereisd, je hebt nog niet gegeten en als je aankomt op de camping moet je in de stromende regen de tent opzetten. Dan zijn er twee mogelijke uitkomsten: of één van jullie zit binnen een uur huilend in de trein terug naar huis, óf je zet samen die tent op. Dat is een beslissing die je telkens in je leven opnieuw kunt nemen: om, ook onder moeilijke omstandigheden, de tent te blijven opzetten."
Tot slot: wat betekent het voor jou dat je roman Narcis is genomineerd voor de NS Publieksprijs?
"Zoveel! Immers, in tegenstelling tot de andere genomineerden ben ik pas op mijn vijftigste gedebuteerd. Bovendien heb ik pas twee boeken geschreven. En als enige woon en werk ik niet in of rond Amsterdam, maar op het platteland. Dat een boek van mij is genomineerd, naast die van ‘gearriveerde’ auteurs, stemt me dankbaar en toch ook wel trots. Met elk boek breng ik naar buiten wat binnenin mij leeft; ook in Narcis heb ik mijn ziel en zaligheid gelegd. Daarom vind ik het zo fantastisch dat mijn lezers dit boek massaal hebben omarmd… En nu zou ik hen intens dankbaar zijn, als ze ook op mijn boek zouden stemmen. Want stel je toch eens voor dat ik win… Dat zou zo’n droom zijn, het zou me vleugels geven tijdens het werken aan mijn derde roman!"














































Praatmee