Otto Zwolsman (35) wist het al van jongs af aan: “Ik word meester”

Waar sommige mensen jaren twijfelen over hun beroepskeuze, was het voor Otto Zwolsman op jonge leeftijd al overduidelijk: Hij wil voor de klas. Inmiddels geeft Otto al 17 jaar les, waarvan de laatste drie jaar in het voortgezet speciaal onderwijs. In gesprek met Cvandaag vertelt hij over zijn eerste schooldag, de meerwaarde van christelijk onderwijs en een bijzonder verzoek van een leerling.
“Het verhaal gaat dat ik na mijn eerste schooldag al zei: ‘Dit wil ik ook’”, zegt Otto als hem gevraagd wordt of hij altijd al in het onderwijs wilde werken. “Ik kan mij niet heugen dat ik ooit iets anders heb gewild dan voor de klas staan."
Het stagelopen tijdens zijn opleiding tot leerkracht ervaart Otto daarom ook als heel spannend. Want wat nou als blijkt dat dit het toch niet is? “Gelukkig was dat niet het geval”, reageert de leerkracht lachend. Momenteel is Otto werkzaam op de Obadjaschool in Zwolle. “Dit is een cluster 3-school waar leerlingen met een verstandelijke beperking tussen de vier en achttien jaar les krijgen. Ik geef les aan veertien tot zestien jarigen.”
Voordat Otto in 2021 de overstap maakt naar de Obadjaschool, werkt hij veertien jaar op de Eben-Haëzerschool in Apeldoorn. Hier heeft hij het uitstekend naar zijn zin. Otto ervaart echter dat het tijd wordt voor een nieuwe uitdaging. “Binnen de school had ik zo’n beetje alle groepen al eens gehad. Ik dacht: als ik nu naar een andere school ga, dan weet ik met een jaar of twee wel hoe het er werkt. In de tijd dat ik studeerde, liep ik al eens stage in het speciaal onderwijs. Wat dat betreft trok dat mij toen al. Maar destijds besloot ik dat het beter was om eerst een paar jaar in het regulier onderwijs te werken.”
Wat maakt het dat Otto zo’n passie voor zijn werk ervaart? “Uiteindelijk zijn het de leerlingen waar je het voor doet. Het is elke dag opnieuw zo mooi om met ze op te trekken en hen dingen te leren. Naast de vakken zoals rekenen, taal, spelling en wereldoriëntatie is het onderwijs op cluster 3 breder. Zoals ook het aanleren van vaardigheden bij bijvoorbeeld stofzuigen, ramen wassen en koffiezetten. De leerlingen die ik voor mij heb, zijn hele mooie maar tegelijkertijd kwetsbare mensen. Vaak zijn ze ook niet zo zichtbaar in onze maatschappij. Het is daarom extra mooi dat ik voor hen van betekenis kan zijn.”
Otto zegt vooral te genieten van de openheid van zijn leerlingen. “Maar ook hun puurheid. Mijn leerlingen nemen bepaald geen blad voor de mond en die zeggen wat ze vinden. Ik kan dat wel waarderen. Wat mij ook voldoening geeft is dat als je hoort dat een leerling na een fijne stage op een werkplek terecht kan. Ik kan ook geweldig genieten van de momenten dat we met onze leerlingen op kamp gaan. Dat zijn echt stuk voor stuk onvergetelijke dagen.”
De christelijke identiteit van zijn werkgever ziet Otto als een meerwaarde. “Elke dag beginnen we met zingen, een gebed en vertel ik een Bijbelverhaal. Dat beschouw ik als hele waardevolle momenten. Het is prachtig om kinderen te wijzen op een God die voor ons zorgt en die ons kent, ondanks al onze gebreken en tekortkomingen.
Ik heb een leerling in mijn klas met het Syndroom van Down en als er iemand is die leeft zoals God dat bedoeld heeft, is zij dat wel. Ze is in haar vermogen kinderlijk eenvoudig, maar haar hele leven wijst op God. Als ik haar vraag wat ze wil zingen, zegt ze: ‘God heb ik lief.’ (Psalm 116, red.) Dan zegt ze, terwijl ze haar hand op haar borst houdt, ‘Dat is echt zo, meester.’ Zoiets is prachtig om mee te maken. Christelijk onderwijs heeft echt een meerwaarde”
Otto noemt het daardoor des te zorgelijker dat er vanuit politiek Den Haag steeds meer aan het bijzonder onderwijs getornd wordt. “Er wordt gevraagd of je meer aan burgerschap kunt doen en dat dat vak echt een plekje krijgt in het onderwijs dat je als school aanbiedt. Dat vind ik niet zozeer een probleem, want er zitten inderdaad best wat thema’s tussen die goed zijn om te bespreken. Maar wat wel zorgelijk is, is dat christelijke scholen bij wijze van spreken dan wordt voorgezegd hoe je dat moet vormgeven. Als je niet meer de vrijheid hebt om dat op basis van de Bijbel te doen, vind ik dat inderdaad heel zorgelijk. In hoeverre kun je dan nog spreken van vrijheid van onderwijs?”
Als Otto gevraagd wordt hoe hij iemand zou overtuigen de stap naar het onderwijs te maken, zegt hij: “Kom maar gewoon eens een dagje meedraaien en dan ontdek je hoe mooi het is! Wat ik altijd in gesprekken met mensen over het onderwijs benadruk, is dat we er echt niet alleen voor staan. Er wordt wel eens gezegd dat het speciaal onderwijs pittig en zwaar is, maar als collega’s staan we schouder aan schouder. Daarnaast: wat is er mooier om een wereld voor kinderen te ontvouwen waarin zij allerlei nieuwe dingen ontdekken en daarin een schakeltje te zijn?”
Otto beseft tegelijkertijd dat het tekort aan leraren een grote zorg is. “Onze kinderen moeten wel onderwijs ontvangen en dat kun je als ouders niet. Daar heb je gewoon leerkrachten voor nodig. Zo simpel is het. Als er bij ons een collega ziek wordt, is de invalpoule klein. Van sommige scholen hoor je zelfs dat ze allang blij zijn als ze überhaupt een vervanger hebben kunnen vinden, ook al betekent dat misschien dat het onderwijs die dag een beetje stilvalt.”
In al die jaren dat Otto voor de klas staat, is hem één situatie in het bijzonder bijgebleven. “Dat speelde eigenlijk een beetje buiten het lesgeven om. Er was een leerling op school van wie de moeder overleed. Dat had uiteraard op iedereen een enorme impact. Het volgende jaar zou die leerling bij mij in de klas komen. Een keer vroeg hij mij of ik met hem mee wilde gaan naar het graf van zijn moeder. Ik dacht: ‘Ja, als je dat vraagt, en je vader het oké vindt, dan doe ik dat. Dat was akkoord.
We stonden daar heel stilletjes naast elkaar en ik dacht nog bij mijzelf: ‘Wat doe ik nu en wat moet ik zeggen? Woorden schiet toch tekort?!’ Zover dat mogelijk is, wil je er op zo’n moment voor iemand zijn. Hij vond het zo fijn dat ik daar met hem was, terwijl aan mijn kant voor mijn gevoel woorden tekort schoten. Jaren later sprak ik hem en toen zei hij: ‘Ja meester, ik weet het nog. Ik vond het zo fijn dat u er voor mij was.' Dan besef je wat voor je leerlingen mag betekenen.”
Praatmee