Richard over getuigen mét lef: ‘Het begint met een bewogen hart voor de ander’

Christenen die ondanks bedreigingen blijven vertellen over Jezus. Voor veel Nederlandse gelovigen staat dat ver van hun dagelijkse werkelijkheid af. Toch stelt hun voorbeeld een indringende vraag, zegt Richard Groenenboom van SDOK: hoeveel bewogenheid hebben wij met mensen die Jezus niet kennen? Tijdens het komende SDOK-event op 10 oktober in de Basiliek in Veenendaal delen twee christenen uit de Hoorn van Afrika hun ervaringen. “Als je hebt ontdekt wat Jezus voor je heeft gedaan, gun je dat zelfs je grootste vijand.”
De twee sprekers die tijdens het event hun verhaal vertellen, komen uit de hoorn van Afrika, hebben een moslimachtergrond en kwamen tot geloof in Jezus Christus. Na hun bekering kregen ze met ernstige doodsbedreigingen te maken, ook in Europa. Ondanks alle bedreigingen verkondigen ze vrijmoedig het Evangelie, ook via de media.
Veel meer kan Groenenboom vooraf niet over hen kwijt. “Deze mensen worden ernstig bedreigd en we moeten daarom zorgvuldig omgaan met hun veiligheid. Ondanks de bedreigingen laten ze zich niet het zwijgen opleggen. Ze hebben een groot hart om het Evangelie te delen en hebben daar een grote prijs voor betaald”, vertelt Groenenboom. “Hun boodschap is eigenlijk: ik heb de waarheid ontdekt, ik heb de vrede in Jezus gevonden en dat moet iedereen weten. Dat gun je zelfs je grootste vijand.”
Bewogenheid
Juist die houding kan Nederlandse christenen een spiegel voorhouden. Het thema van het event is niet voor niets Getuigen met lef. Want waarom is het soms zo moeilijk om met anderen over Jezus te spreken? Volgens Groenenboom begint het bij de vraag hoe christenen kijken naar mensen die Christus niet kennen. “Hoeveel besef heb ik ervan dat mensen buiten Jezus verloren liggen? En hoeveel bewogenheid heb ik met mensen die Jezus niet kennen?”
In een westerse samenleving ligt de nadruk sterk op het respecteren van ieders persoonlijke overtuiging. Dat respect is waardevol, benadrukt Groenenboom. Niemand kan of mag tot geloof worden gedwongen. Tegelijkertijd kan die houding christenen ook terughoudend maken om uit te spreken wat zij zelf geloven.
Want als je werkelijk gelooft dat Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven is, kan het welzijn van de ander je niet onverschillig laten, stelt Groenenboom. “Je kunt mensen niet dwingen, maar als je echt iemand liefhebt, ga je wel vertellen waar het op aankomt.”
Daar zit volgens hem een deel van de moeite van de westerse kerk. “We leven in een cultuur waarin we ons snel laten afschrikken. We denken al gauw: het is een beetje vreemd om hierover te spreken. Dat is koudwatervrees, maar ik denk dat er soms ook een gebrek aan urgentie achter zit.”
Aan de voeten van Jezus
Alleen tegen jezelf zeggen dat je vaker moet evangeliseren, is volgens Groenenboom niet de oplossing. Getuigen kan dan gemakkelijk als een verplichting gaan aanvoelen. “Je kunt zeggen: ik móét getuigen, dus ik word betrokken bij een evangelisatiecommissie. Natuurlijk kan dat belangrijk zijn. Maar zonder bewogenheid wordt het heel ingewikkeld. Uiteindelijk begint het met een bewogen hart voor mensen die Jezus niet kennen.”
Die bewogenheid kun je niet met een druk op de knop oproepen. Ze groeit volgens Groenenboom in de omgang met Christus. “Hoe meer je tijd neemt voor Jezus, door stille tijd en gebed, hoe meer de Heilige Geest in je kan werken, tot je kan spreken en je innerlijk kan vernieuwen.”
Daarom begint getuigen voor hem niet op straat, maar aan de voeten van Jezus. Een christen mag heel concreet bidden om bewogenheid en vrijmoedigheid. Bijvoorbeeld voordat hij aan een nieuwe dag begint: 'Heilige Geest, geef mij vandaag de woorden als ik iemand ontmoet die Jezus niet kent.'
Drie minuten
Naast gebed en geestelijke groei is er nog iets nodig: oefenen. Groenenboom denkt daarbij terug aan een bezoek aan een ondergrondse huisgemeente in China. In een appartement kwam een groep jonge christenen bijeen. De voorganger behandelde Handelingen 26, waarin Paulus tegenover koning Agrippa over zijn geloof vertelt.
Tijdens het lezen zette de voorganger een stopwatch aan. Na ongeveer drie minuten stopte hij. Dat was zijn les voor de gemeente: Paulus had maar enkele minuten nodig om Agrippa te vertellen wat God in zijn leven had gedaan. Ook een ontmoeting bij de koffie, in de bus of met een buurman kan maar een paar minuten duren. Vervolgens liet hij de gemeenteleden met elkaar oefenen.
Het maakte indruk op Groenenboom. Want vrijmoedig getuigen is niet uitsluitend iets wat je wel of niet bezit. Je kunt jezelf er ook in oefenen. “Hoe leg ik uit wie Jezus voor mij is? Hoe heeft Hij mijn leven veranderd?” Juist het persoonlijke getuigenis vindt hij krachtig. Een gesprek hoeft niet meteen te beginnen met ingewikkelde apologetische argumenten. Vertel eenvoudig wat Christus voor jou betekent en wat Hij in je leven heeft gedaan.
Niet iedereen met een megafoon
Dat betekent niet dat iedere christen op dezelfde manier moet evangeliseren. Groenenboom vertelt over een straatevangelist die hij eens ontmoette in Bangladesh. De man verkondigde met een megafoon op straat het Evangelie, opvallend en bepaald niet zonder risico in een overwegend islamitische omgeving. “Dat zou mijn manier niet zijn”, zegt Groenenboom. Maar dat hoeft ook niet. God geeft verschillende mensen verschillende roepingen. Je hoeft het niet op mijn manier te doen. Het gaat erom dat je getuigt.”
Dat kan op straat, maar net zo goed tegenover een buurman, collega, vriend of familielid. Bovendien bestaat getuigen niet alleen uit woorden. Ook de manier waarop een christen leeft en de keuzes die hij maakt, spreekt. Wel is het volgens Groenenboom belangrijk dat anderen weten waaróm je zo leeft. “Zoek naar aanknopingspunten om iets te delen van wat jou raakt.”
Weerstand hoort erbij
Wie over Jezus spreekt, hoeft er niet vanuit te gaan dat iedereen enthousiast reageert. De verhalen van vervolgde christenen maken juist duidelijk dat het Evangelie weerstand kan oproepen.
Groenenboom zag dat ook in China. Na een periode van relatief meer ruimte voor christenen werden de regels onder president Xi Jinping opnieuw strenger toegepast. Een jongere generatie christenen die nauwelijks vervolging had meegemaakt, werd ineens geconfronteerd met druk en tegenstand.
In trainingen met christenen wordt daarom ook naar het Nieuwe Testament gekeken. Tegenstand tegen het geloof is daarin geen vreemde uitzondering. “Als je Jezus volgt en van Hem getuigt, kan weerstand een consequentie zijn. Het is belangrijk dat we ons dat realiseren.”
Voor Nederlandse christenen ziet die weerstand er doorgaans heel anders uit. Het kan al spannend voelen om tegenover een collega over Jezus te beginnen of om in een gesprek uit te spreken wat je werkelijk gelooft. Ook Groenenboom kent die aarzeling. Soms ziet hij achteraf dat hij een gelegenheid voorbij heeft laten gaan. “Dan denk je: ik heb een kans gemist en had misschien meer moed moeten tonen.”
Zeker weten wat je doorgeeft
Vrijmoedig over redding spreken wordt bovendien moeilijk wanneer je zelf twijfelt of die redding ook voor jou geldt. Groenenboom herkent dat uit een vroegere periode in zijn eigen leven. “Als je zelf niet weet of Jezus voor jouw zonden is gestorven, kun je eigenlijk niet evangeliseren. Als je niet de overtuiging hebt dat je door Jezus gered bent, kun je dat ook moeilijk aan anderen vertellen.”
De zekerheid ligt daarbij niet in de gelovige zelf, benadrukt hij, maar in wat Christus heeft gedaan. Juist vanuit ontvangen genade kan een christen met vreugde over Hem spreken.
Een cultuur van getuigen
Groenenboom hoopt daarom dat het SDOK-event meer doet dan bezoekers een paar indrukwekkende verhalen laten horen. De getuigenissen van christenen die ondanks bedreigingen over Jezus blijven spreken, mogen iets wakker maken. “Ik hoop dat zo'n event begint met het aanwakkeren van een verlangen. Dat je denkt: wauw, wat deze mensen hebben, daar verlang ik ook naar. Om door God gebruikt te worden en tot zegen te zijn voor anderen.”
“Daarna komt ook het praktische: dóé het”, vervolgt hij. “En begin desnoods thuis. Vertel elkaar eens in drie minuten wie Jezus voor je is. Ouders kunnen hun kinderen vertellen hoe ze tot geloof kwamen. Christenen kunnen elkaar vragen wat Christus concreet in hun leven heeft gedaan. Er mag een cultuur van getuigenis ontstaan waarin we elkaar aanwakkeren, aanvuren en oefenen. Want wie thuis nauwelijks over Jezus spreekt, zal dat tegenover een onbekende waarschijnlijk nog moeilijker vinden.”
Uiteindelijk komt Groenenboom daarmee bij een fundamentelere vraag dan de vraag welke evangelisatiemethode het beste werkt. “Is Jezus het centrum van jouw bestaan? Draait alles in je leven om Hem? Of is het een taakpuntje in je leven: ik ga naar de kerk en doe door de week nog een christelijk dingetje?”
De kerk is geen vereniging naast alle andere verenigingen waarvan iemand lid kan zijn, benadrukt hij. Christenen zijn leden van het lichaam van Christus. En wanneer Christus werkelijk het centrum is, kan het bijna niet anders dan dat er over Hem gesproken wordt.


































Praatmee