God kan en wil niet op onbenaderbare afstand blijven
Geen enkel verhaal, hoe goed het ook is, staat alleen maar op zichzelf. Elke keer als we iemand een verhaal vertellen, of het nu echt is of verzonnen, dan hebben we daar een reden voor. We willen niet zomaar wat vertellen: we willen ook iets laten zien. Iets van onszelf. En we hopen ook dat er iets landt, van dat verhaal. Goede verhalen veranderen de wereld.
Sommige verhalen zijn zo sterk dat ze zich verstrengelen met ons DNA. De beelden van zo'n verhaal zijn zo sterk dat we ze overal herkennen. De jongste zoon die zijn kansen verbrast, de barmhartige vader die de jongste zoon omarmt, het feest met het gemeste kalf, en de knorrige oudste zoon die geen raad weet met de onredelijkheid van de genade.
Maar ook dit verhaal staat niet op zichzelf. Er gebeurt van alles omheen. Daar wil ik het deze keer over hebben. Wat gebeurt er om het verhaal heen, en wat zegt ons dat?
Om te beginnen horen we in de lezing van vandaag niet alles terug wat er gebeurt. Het lijkt alsof Jezus Ć©Ć©n verhaal vertelt, maar het zijn er eigenlijk drie. Elke keer als er in de Bijbel drie dingen verteld worden, of drie dingen gebeuren moet je extra opletten. Een opsomming van drie is altijd een natuurlijke opbouw van spanning: inleiding, ontwikkeling en hoogtepunt.
En de opsomming begint vanuit intense spanning, wrijving rond Jezus. Er is een ongewilde ontmoeting tussen de zondaars en de rechtvaardigen. Jezus is aanwezig bij de tollenaars en zondaars. Hij is niet aanwezig in de zin dat hij zich enkel maar tot hen richt. Met een wijsvingertje: zo zo zondaartje, weet jij wel wat voor een mislukt mens jij bent? Maar met werkelijke nabijheid. Niet als voorbijganger, niet als beambte. Maar aan-wezig. Zelfs aan tafel. In de tijd van de Bijbel at je enkel met die mensen die je nabij waren of die je als je gelijke zag. Als je jezelf als goed mens zag deed je je best om alleen aan tafel te gaan bij andere āgoede mensenā. Aan tafel gaan bij slechte mensen is als een schuldbekentenis. āZo Ć©Ć©n ben ik er ookā.
Dat is waar we beginnen. Bij Jezusā radicale aan-wezigheid en de wrijving die dat oplevert. Vorige week lazen we over de brandende braamstruik. Het eerste wat God tegen Mozes zegt is: schoenen uit, en niet te dichtbij komen. God is Heilig, Hij is niet van jou om mee te doen wat je wilt. En dat is waar. Soms moet je een afstand benadrukken. Voor een tijd. Om te leren hoe kostbaar nabijheid is moet je eerst afwezigheid leren, ontzag, weten dat God Heilig is, het besef dat God onmetelijk veel meer is dan wij.
Maar God kan en wil niet op onbenaderbare afstand blijven.
In Jezus wordt God op een nieuwe manier aan-wezig. Niet meer afgescheiden zoals het allerheiligste in de tempel, waar niemand komen mag behalve de hogepriester, eens per jaar. Maar hier en nu, gast aan tafel. Voor iedereen. Niet alleen voor mensen die āhet verdienenā, want God is zo onmetelijk meer dan ons dat niemand dat verdient. En zeker niet de mensen die nog denken in termen van winst- en verliesrekening, verdienste en straf. Die denken God in de redelijkheid te vangen en daarmee hun eigen redelijkheid tot God maken.
Jezus laat zien hoe Hijzelf, hoe God aan-wezig willen zijn. Radicaal, omarmend, zonder terughoudendheid, zonder voorwaarden.
Jezus vertelt drie verhalen om dat duidelijk te maken, twee korte, Ć©Ć©n lange.
EĆ©n: het verloren schaap. EĆ©n schaapje zoek? De herder laat de negenennegentig even voor wat ze zijn. Onredelijk? Absoluut onredelijk! Alsof er niet wel eens vaker een bedrijfsongelukje plaatsvond in de schapenbusiness. Er werden echt wel een schaap gegrepen. Vervelend, ja, maar je kan zo`n schaap vast aftrekken van de belastingen. Dat compenseert weer wat. Zomaar op zoek gaan naar die ene? Volstrekt onredelijk. Onverantwoord. Zoveel is dat schaap niet waard!
Dan twee: het verhaal van de verloren munt. Een vrouw heeft tien munten, Ć©Ć©n ervan is zoek. Ze haalt het huis ondersteboven. Er gaat een schepje bovenop. Wat kwijt is, is Ć©cht waardevol. De waarde van de munt is omgerekend een dagloon, een symbolische som ā wat het leven van een dag opbrengt. Mensen zijn kostbaar.
Dan pas drie: de verloren zoon. Hier wordt uitgepakt waaruit de onredelijkheid van Jezus, de onredelijkheid van God Ć©cht bestaat.
De jongste zoon verdient alles wat hem overkomt. Het hele verhaal is opgebouwd om je elke sympathie voor hem te laten verliezen. Zijn vernedering in het vreemde land is compleet. Met als dieptepunt dat hij niet alleen varkens moet hoeden, nee de bijklank (van į¼ĪŗĪæĪ»Ī»Ī®ĪøĪ· ) is echt dat hij zichzelf helemaal uitlevert, zijn waardigheid en autonomie opgeeft. In de vertaling horen we dat niet meer terug, maar in het Grieks druipt de smaad van de zinnen af. Het is veel sterker dan in dienst gaan bij iemand, je hecht je aan iemand, je geeft je aan iemand over.
Hij geeft alles op aan de zonde, maar het enige resultaat is dat hij op zijn beurt door diezelfde zonde wordt verlaten. Wat je er ook aan opoffert, je krijgt er nooit Ć©cht wat voor terug! Dat is de tragiek van slechte keuzes. Het brengt je nooit waar je op hoopt. Je krijgt veel minder dan je verwacht.
En zo komt hij terug. Zonder enorme verwachtingen. Hij kan geen zoon meer zijn. Maar misschien niet doodgaan van de honger. En dan blijkt de vader on-redelijk. De jongste zoon krijgt niet eens de tijd om al te veel uit te leggen en hij wordt al bedolven onder de tekenen van zijn herstelde waardigheid, nieuwe kleren, een ring en een feest. Dat is wie God is, dat is wie Jezus is. Dat is de vreugde van de ommekeer: je krijgt eindeloos meer dan je verwacht.
Maar daar is dus niet iedereen blij mee. Dat zien we bij de oudste zoon. Hij blijft de afstand benadrukken die al lang opgeheven is, omdat hij het niet kan zien. En wat horen we nog meer bij de oudste zoon? Een hint van afgunst misschien? Toch ergens jaloers dat zijn jongere broer wĆØl op avontuur gegaan is wat hij ā al zal hij het nooit toegeven ā stiekem ook wel had gewild? Er zit iets klem bij hem, dat is zeker.
De oudste zoon is ook niet slecht. In zijn krampachtige, boze hechting aan het correcte zit een pijn die we niet zien, een wond die evengoed genezen moet worden. De vader, is vader van zowel de oudste als de jongste. Hij houdt van hen allebei. Hij is er voor allebei. Hij heeft geen boodschap aan redelijkheid want de Vader heeft een oneindige liefde. Bij God hoeft niets op de bon.
Zowel de oudste als de jongste mogen worden bevrijd van wat hen dwars zit, of dat nu hun eigen ongeregelde verlangen is, of hun krampachtige conformisme. Beiden hebben zich gehecht, zich overgegeven aan iets dat hen minder authentiek maakt. Minder henzelf. Maar enkel bij de jongste zag je het aan de buitenkant. Dat is de vloek van de oudste zoon. Je wil zo hard geloven dat je op de goede weg bent, maar de werkelijkheid is een andere.
Toch staat de Vader daar, gereed voor een nieuwe bladzijde, een nieuw hoofdstuk in het leven. Door te zijn wie Hij is, door zijn aanwezigheid, nodigt hij ons uit een eerste stap te zetten naar dat nieuwe bestaan.
Praatmee