Hoe we van Gods schepping een afgod maken

Diep in gedachten loop ik door het Asserbos als iets mijn aandacht trekt. De dichte mist maakt langzaam plaats voor een steeds feller wordende zon. Tussen de takken door tekent zich een schouwspel af: de lichtstralen worden gevat door de dauwdruppels die nog in de lucht hangen. Een jakobsladder. Het is een welkome onderbreking van mijn bezorgde gedachten. Onwillekeurig denk ik: wat een grote, machtige Schepper hebben we toch. En wat ben ik blij dat ik Hem mag volgen.
Dat God Zich door Zijn schepping heen laat zien, is geen nieuwe gedachte. De Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt de schepping een prachtig boek waarin alle schepselen als letters zijn. Je leest erdoorheen, en ziet iets van de Schrijver. God schiep de zee vol vis, de lucht vol vogels en het land vol levende wezens, kruipend, lopend, klimmend, en Hij zag dat het goed was. En Hij is niet gestopt met kijken. Jezus wijst op de mussen: ze zaaien niet en oogsten niet, en toch valt er geen een op de grond zonder dat de Vader het weet. Hij wijst op de lelies, door God Zelf mooier gekleed dan Salomo in al zijn luister. Dat is wat ik in het Asserbos zag. Een alinea van een boek, geschreven door een Schrijver die de oorsprong is van al wat leeft.












































Praatmee