GerGem-predikant komt met 95 stellingen over doop

Ds. A. Schot heeft 95 stellingen over de doop opgesteld. De predikant van de Gereformeerde Gemeenten wil daarmee het gesprek over de betekenis van de doop voeren vanuit de Bijbel. Hij maakt zich zorgen dat in discussies over de doop het werk van de Heilige Geest onvoldoende aandacht krijgt.
Schot koos bewust voor 95 stellingen, dezelfde vorm waarmee kerkhervormer Maarten Luther bekend werd. Luther maakte in 1517 zijn 95 stellingen tegen misstanden rond onder meer de aflaathandel openbaar. Ze vormden een belangrijke aanzet tot de Reformatie, de zestiende-eeuwse hervormingsbeweging waaruit de protestantse kerken voortkwamen.
Dat Schot hetzelfde aantal kiest, betekent volgens hem niet dat hij een nieuwe kerkhervorming wil ontketenen. Met zijn stellingen wil hij vooral een Bijbels kader bieden, zo maakt hij duidelijk in gesprek met het Reformatorisch Dagblad.
Vragen over betekenis van doop
Aanleiding voor de publicatie zijn onder meer gesprekken met gemeenteleden. Schot begon vorig jaar november aan zijn stellingen en merkte dat er veel vragen over de doop leven. Daarbij speelde ook het boek In Christus gedoopt van de hersteld hervormde theoloog prof. dr. W. van Vlastuin een rol.
Schot benadrukt dat zijn publicatie niet als aanval op Van Vlastuin is bedoeld. De twee predikanten leggen op een belangrijk punt verschillende accenten. Van Vlastuin benadrukt in zijn boek sterk dat de doop verbonden is met Gods verbondsbelofte. Hij waarschuwt ervoor de betekenis van de doop afhankelijk te maken van de vraag of iemand weet dat hij uitverkoren of wedergeboren is.
Wat leert de Gereformeerde Gemeenten?
Schots visie sluit aan bij de verbonds- en doopopvatting zoals die binnen de Gereformeerde Gemeenten wordt geleerd. Een gedoopt kind wordt door de doop afgezonderd van de wereld en behoort tot de zichtbare kerk. Dat betekent volgens deze visie echter niet automatisch dat het kind ook wezenlijk in het genadeverbond is of persoonlijk deel heeft aan de beloften daarvan.
Schot maakt daarbij onderscheid tussen wat hij de voorwerpelijke en onderwerpelijke belofte noemt. Hij sluit daarmee aan bij ds. G.H. Kersten, grondlegger van de GerGem en gezichtsbepalend voor de theologische koers van het kerkverband. "In de doop wordt niet de onderwerpelijke belofte, maar de voorwerpelijke belofte verzegeld", legt Schot tegenover het RD uit. "Daarmee bedoelt hij (ds. Kersten, red.) dat de beloften niet aan het kind gedaan worden, maar dat de vergeving van zonden in Christus verzegeld wordt."
Volgens Schot kan een gedoopt kind daarom niet op grond van zijn doop zeggen dat de beloften van het genadeverbond hem persoonlijk toekomen.
Andere gereformeerden leggen ander accent
Op dit punt bestaat binnen de bredere gereformeerde traditie verschil van inzicht. Niet alle christenen die de kinderdoop praktiseren, onderschrijven de doopvisie zoals Schot die verwoordt. Van Vlastuin legt bijvoorbeeld sterker de nadruk op Gods verbondsbelofte aan gedoopte kinderen. Die verbondsrelatie maakt persoonlijk geloof en bekering volgens hem niet overbodig, maar vraagt daar juist om.
Het verschil zit niet eenvoudigweg tussen christenen die bekering noodzakelijk vinden en christenen die dat niet vinden. Zowel Schot als Van Vlastuin benadrukt de noodzaak van persoonlijk geloof, bekering en het werk van de Heilige Geest. Het geschil draait vooral om de vraag wat God bij de kinderdoop precies toezegt en in welke zin een gedoopt kind tot het genadeverbond behoort.











































Praatmee