Waarom Trump christenvervolging centraal zet in zijn tweede termijn

Tijdens zijn eerste ambtstermijn maakte Donald Trump van de strijd tegen christenvervolging een prioriteit in het Amerikaanse buitenlandbeleid. Christenvervolging wordt niet langer alleen gezien als een mensenrechtenkwestie. Mariam Wahba en Sam Ben-Ur betogen dat christenvervolging een belangrijke graadmeter kan zijn voor de koers van het Amerikaanse buitenlandse beleid.
Tijdens zijn eerste ambtstermijn maakte president Donald Trump van de bestrijding van christenvervolging wereldwijd een prioriteit binnen het Amerikaanse buitenlandbeleid. In zijn tweede termijn is dat uitgegroeid tot iets dat nog verder gaat.
De complicaties die voortkwamen uit deze principiële keuze tijdens de eerste regering-Trump waren reëel. Relaties met zowel bondgenoten als tegenstanders die betrokken waren bij christenvervolging kwamen onder druk te staan. Ook werden beleidsstrategieën soms minder duidelijk.
Moet je Egypte, een cruciale partner in een instabiele regio, sanctioneren vanwege de behandeling van Koptische christenen? Laat je jihadistische netwerken in Nigeria verder groeien terwijl je discussieert over normen voor godsdienstvrijheid met de regering in Abuja? Weiger je overleg met China vanwege de vergaande controle op christenen en de vervolging van voorgangers?
Een principe dat niet standhoudt in de werkelijkheid van geopolitiek en machtspolitiek wordt uiteindelijk een last. Of dit nu bewust beleid is of niet, Trumps tweede termijn laat een meer afgewogen benadering zien van deze problematiek.
De vraag is nu of Washington iets moeilijkers kan doen dan het probleem negeren of juist uitsluitend verdedigen: christenvervolging gebruiken als zowel beleidsindicator als beleidskompas.
Nigeria als test
Die benadering wordt inmiddels in de praktijk getest. Eind 2025 wees Trump Nigeria, na meerdere aanvallen op christenen in de zogenoemde Middle Belt, aan als een 'Country of Particular Concern' onder de Amerikaanse wet op internationale godsdienstvrijheid. De regering ging zelfs zo ver dat zij op Eerste Kerstdag luchtaanvallen uitvoerde op doelen van Islamitische Staat.
Meer recent nam het Witte Huis de bescherming van christenen op als een van de twee belangrijkste prioriteiten binnen zijn antiterrorismestrategie voor Afrika. Washington schakelde bovendien de nummer twee van Islamitische Staat in Nigeria uit. Volgens minister van Defensie Pete Hegseth was deze man verantwoordelijk voor het doden van christenen. Tijdens zijn recente bezoek aan Beijing bracht Trump daarnaast de zaak ter sprake van de gevangengenomen voorganger Ezra Jin.
Washington probeert christenvervolging niet langer als losstaand probleem op te lossen. De nieuwe aanpak stelt andere vragen: waar vindt vervolging plaats, wie zit erachter en vormen die actoren een bedreiging voor Amerikaanse belangen? Dat zijn volgens ons de juiste vragen. En opvallend genoeg is het antwoord vaak hetzelfde.
De vervolging van christenen in het buitenland is vaak een geconcentreerde uiting van dezelfde krachten waartegen het Amerikaanse buitenlandbeleid zich verzet: jihadisme, autoritarisme, wetteloosheid en antidemocratische onderdrukking. Het is geen toeval dat maatregelen die christenvervolging kunnen terugdringen vaak samenvallen met stappen die Washington toch al zou willen zetten tegenover dezelfde landen en niet-statelijke groeperingen.
Dat patroon zien we terug in heel verschillende situaties.
Egypte: bondgenoot met een probleem
De Verenigde Staten onderhouden een omvangrijke hulprelatie met Egypte. Tegelijkertijd heeft de Egyptische overheid er jarenlang niet in weten te slagen om Koptische christenen, naar schatting 15 tot 20 miljoen mensen, te beschermen tegen gericht geweld en structurele juridische discriminatie. Die situatie weerspiegelt dezelfde tolerantie voor buitengerechtelijk geweld en religieuze ongelijkheid die Egypte op de lange termijn tot een instabiele en minder betrouwbare partner maakt.
Washington hoeft de relatie met Egypte niet te verbreken. Wel zou meetbare vooruitgang op het gebied van bescherming van Kopten een voorwaarde moeten zijn voor verdere steun. Denk aan het versneld goedkeuren van vergunningen voor kerkbouw, vervolging van sektarisch geweld en stappen richting juridische gelijkheid. Op dit moment speelt dit onderwerp slechts een marginale rol binnen de relatie tussen Washington en Caïro.
Nigeria: christenen tussen terrorisme en geweld
In Nigeria komen de problemen voor christenen niet alleen van terroristische organisaties zoals Boko Haram en Islamitische Staat West-Afrika. Ook militante groepen uit de Fulani-bevolking spelen een grote rol.
In de Middle Belt zijn christelijke gemeenschappen zwaar getroffen door aanvallen van Fulani-milities. Deze aanvallen worden vaak omschreven als conflicten tussen boeren en herders of als etnische conflicten. Daar zit een kern van waarheid in, maar die terminologie kan verhullen dat het vaak gaat om religieus gemotiveerd geweld dat vrijwel ongestraft blijft.
De kerstbloedbaden van 2023 in de centraal gelegen staat Plateau, waarbij meer dan tweehonderd christenen werden vermoord door Fulani-terroristen, hadden volgens ons een keerpunt moeten vormen. Volgens berichten riepen de aanvallers: "Allahu Akbar, wij zullen alle christenen vernietigen." Toch gaan de aanvallen op christenen, juist op christelijke feestdagen en rond kerken, nog steeds door.
Een overheid die christelijke dorpen niet kan beschermen tegen herhaalde aanvallen schiet tekort in een van haar belangrijkste taken. Voor Washington vormt dit ook een strategisch probleem. Nigeria geldt immers als een belangrijke partner in de strijd tegen terrorisme in West-Afrika.
De maatregelen die nodig zijn om Noord-Nigeria en de Middle Belt te stabiliseren zijn dezelfde maatregelen die christelijke gemeenschappen beschermen: betere inlichtingenuitwisseling, gerichte druk op terroristische netwerken, hervorming van veiligheidsdiensten en hulp die afhankelijk wordt gemaakt van concrete resultaten.
China: christendom als bedreiging voor de staat
In China staat de onderdrukking van christenen niet los van het buitenlandbeleid van de Communistische Partij. Zij is er juist een uitdrukking van. De Chinese overheid laat kruisen verwijderen, zet voorgangers gevangen, herschrijft religieuze teksten en plaatst kerken onder streng toezicht.
Beijing ziet het christendom als een bedreiging. Daarom heeft het een omvangrijk surveillancesysteem opgebouwd om gelovigen te controleren. Kerkbezoekers worden geregistreerd met gezichtsherkenningscamera's die in kerken zijn geplaatst. Dergelijke technologie werd eerder getest op de Oeigoeren in Xinjiang, die volgens de Verenigde Staten en andere landen slachtoffer zijn van genocide.
Een regime dat geen onafhankelijke kerken duldt, biedt vaak evenmin ruimte aan onafhankelijke instellingen, een krachtig maatschappelijk middenveld en democratisch pluralisme. Voor Amerikaanse beleidsmakers is bovendien van belang dat de Chinese angst voor het christendom niet irrationeel is. Een geloof dat loyaliteit vraagt aan een hogere autoriteit dan de staat vormt een structurele uitdaging voor totalitaire controle.
Tegen rivalen zoals China zijn andere middelen beschikbaar. Washington zou de activiteiten van het United Front Work Department (UFWD), een orgaan van de Chinese Communistische Partij dat verantwoordelijk is voor de handhaving van religieuze wetgeving, verder moeten sanctioneren op basis van de Global Magnitsky Act. Dat past binnen de bredere Amerikaanse strategie tegenover Beijing.
De Verenigde Staten hebben al sancties opgelegd aan leden van het UFWD vanwege mensenrechtenschendingen in Xinjiang en spionageactiviteiten in Hongkong. Sancties tegen functionarissen die verantwoordelijk zijn voor christenvervolging zouden een logische volgende stap zijn. Daarmee zou Washington laten zien dat het de juiste signalen leest.
Een routekaart voor buitenlands beleid
Geen van deze voorstellen vereist dat christelijke solidariteit het uitgangspunt van het buitenlandbeleid wordt. Wel vereist het een buitenlandbeleid dat scherp genoeg is om te zien waar christenvervolging op wijst.
Dat is volgens ons de maatstaf waaraan Trumps tweede termijn moet worden beoordeeld. Niet of hij luid genoeg opkomt voor christenen, maar of zijn regering de signalen serieus neemt, de juiste vragen stelt aan de juiste regeringen en de antwoorden daadwerkelijk vertaalt naar beleid.
Deze benadering gaat ervan uit dat christenvervolging vaak zichtbaar maakt waar de prioriteiten van Amerika's tegenstanders liggen, waar bondgenoten tekortschieten en waar bestaand beleid onvoldoende effectief is.
Of het nu gaat om Egypte, Nigeria of China: christenvervolging vertelt zelden het hele verhaal. Tijdens zijn eerste termijn zag Trump het vooral als een probleem dat opgelost moest worden. In zijn tweede termijn lijkt hij het steeds meer te behandelen als een routekaart die richting geeft aan bredere strategische doelen.
Washington zou christenvervolging daarom niet moeten behandelen als een geïsoleerd probleem, maar als een signaal van bredere politieke en maatschappelijke misstanden. De vraag moet steeds opnieuw worden gesteld wat vervolging zegt over de regeringen die wij financieren, de partners die wij bewapenen en de dreigingen die wij nog onvoldoende onderkennen.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op de website van The Christian Post en is met toestemming vertaald en overgenomen door Cvandaag.





































Praatmee