Ds. Middelkoop bezocht met Wycliffe Tanzania: “Wij hebben Afrika heel hard nodig”

Vanwege zijn recente afscheid van de hersteld hervormde gemeente Sint-Annaland zit ds. A. S. Middelkoop midden in een verhuizing. Toch maakt hij graag tijd vrij om terug te blikken op een reis die hem diep raakte. Samen met een groep predikanten uit verschillende kerken bezocht hij onlangs, op uitnodiging van Wycliffe Bijbelvertalers, Tanzania. Wat hij daar zag, veranderde niet alleen zijn blik op het Bijbelvertaalwerk, maar hield volgens hem ook de westerse kerk als geheel een spiegel voor.
Tanzania telt ruim 120 regionale talen. Hoewel er een nationale taal bestaat, waarin de Bijbel beschikbaar is, zijn er vele Tanzanianen die deze taal simpelweg niet beheersen. Juist daarom is het werk van Wycliffe van grote betekenis, vertelt Middelkoop. “Wat Wycliffe doet, is de Bijbel dichter bij de mensen brengen in de taal van hun hart.”
Wat hem tijdens het bezoek misschien nog wel het meest verraste, was wie het vertaalwerk daadwerkelijk uitvoert. “Vanuit Nederland leveren we onder meer een vertaalconsulent en financiële ondersteuning. Maar het grote werk gebeurt door mensen uit Tanzania zelf.”
Dat gebeurt op alle niveaus, legt hij uit. Naast vertaalconsulenten en mensen die leidinggeven aan het proces, zijn ook gemeenteleden betrokken. Zij lezen vertaalde Bijbelgedeelten en beoordelen of de vertaling begrijpelijk is en de tekst werkelijk aansluit bij hun eigen taal. “Zijn er nog woorden die niet natuurlijk klinken? Kan iets beter worden verwoord? Op die manier ontstaat eigenlijk een Bijbel van de mensen en vóór de mensen. Dat vond ik prachtig om te zien.”
Tijdens de reis sprak de delegatie voorgangers met mensen die jarenlang aan het vertaalwerk hebben meegewerkt, maar ook met gemeenteleden die inmiddels uit een nieuwe vertaling konden lezen. “Dan zie je dat een Bijbel in de eigen, regionale taal mensen echt helpt. Ze ontdekken: God spreekt ook mijn taal.”
Psalmen die het hart raken
Om het belang van de moedertaal uit te leggen, maakt Middelkoop een vergelijking met Nederland. “Stel je voor dat wij alleen een Engelse Bijbel zouden hebben. Dan komen jij en ik waarschijnlijk nog een heel eind. Maar zodra je weer een Nederlandse Bijbel leest, merk je hoe dichtbij dat komt. Je moedertaal raakt je veel dieper. Zo is dat in Tanzania ook. Hoe dichter de Bijbelvertaling bij je moedertaal ligt, hoe meer Gods Woord in je hart binnenkomt.”
Een van de mooiste voorbeelden zag hij in een regio waar inmiddels ook de Psalmen waren vertaald. “Ze hadden de Psalmen niet alleen vertaald, maar ook op muziek gezet in een vorm die voor hen zingbaar is.”
Dat gaat veel verder dan alleen vertalen, stelt Middelkoop. “Wanneer je de Psalmen kunt zingen in de taal waarin je bent opgegroeid, gaan die Bijbelwoorden heel diep naar binnen. Dan verinnerlijk je die woorden op een heel andere manier.”
Ouderen toegang
Ook tussen jong en oud maakt dat een groot verschil. “De jongere generatie spreekt vaak gemakkelijker de nationale taal. Maar veel ouderen spreken vooral hun eigen regionale taal. Soms is dat zelfs een taal die van oorsprong alleen gesproken werd. Dan is het al bijzonder dat zo'n taal op schrift komt te staan. Maar vervolgens krijgen ook oudere mensen rechtstreeks toegang tot Gods Woord.”
Hoe groot de impact daarvan kan zijn, hoorde Middelkoop ook in persoonlijke verhalen. Zo vertelde een voorganger tijdens een preek dat hij vroeger twee vrouwen had. Toen hij christen werd en zelf Gods Woord ging lezen, ontdekte hij wat de Bijbel zegt over het huwelijk en trok hij daar consequenties uit.
Volgens Middelkoop laat dat zien waarom Bijbelvertaalwerk zoveel meer is dan alleen taal. “Ik kan tegen iemand zeggen: ‘Volgens mij zou je anders moeten leven.’ Maar het is iets heel anders wanneer iemand zelf in Gods Woord leest wat God zegt. Dan sta je zelf voor Gods aangezicht.”
Daar ligt voor hem de kern. “Ik geloof dat God werkt door Zijn Woord. Juist daarom is het zo belangrijk dat iedere gelovige de Bijbel zelf kan lezen of het Woord hoort. Het moet in ieder geval dicht bij de mensen komen. Dan zal God dat Woord ook gebruiken.”
Beeld: Wycliffe
Een Bijbel is niet vanzelfsprekend
Tegelijkertijd werd Middelkoop geconfronteerd met de armoede waarin veel Tanzanianen leven. Tijdens een kerkdienst had de Nederlandse delegatie enkele dozen met Bijbels meegenomen. “De gedachte is natuurlijk dat mensen zelf bijdragen aan een boek dat ze willen gebruiken. Maar als je ziet hoe beperkt de financiële mogelijkheden zijn, besef je dat de aanschaf van een Bijbel voor veel mensen eenvoudigweg niet haalbaar is.”
Het contrast met Nederland is groot. “Wij hebben thuis vaak stapels Bijbels staan. Er zijn ontzettend veel christenen voor wie één Bijbel al iets is wat ze nauwelijks kunnen betalen.”
Contrast
Juist daarom hoopt Middelkoop dat Nederlandse christenen het werk van Wycliffe blijven ondersteunen. Niet omdat het Westen het werk in Tanzania moet overnemen, benadrukt hij. “De Tanzanianen kunnen het vertaalwerk zelf uitstekend uitvoeren. Wij hoeven niet vanuit het Westen alles te organiseren. Maar wij kunnen wel de randvoorwaarden scheppen.”
Financiële steun maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat mensen jarenlang aan een vertaling kunnen werken en ondertussen hun gezin kunnen onderhouden. “Als wij die projecten ondersteunen, kunnen zij hun kinderen onderhouden, naar school sturen en hun werk blijven doen. Dan komt die Bijbel er ook.”
Daarom doet hij een eenvoudige oproep. “Wie hier dankbaar is voor zijn eigen Bijbel, moet zich eens proberen voor te stellen hoeveel jaren werk erin gaan zitten voordat ergens een complete Bijbel in een nieuwe taal beschikbaar komt. Dan mogen we onze portemonnee best eens omkeren.”
Hoewel de reis in de eerste plaats draaide om Bijbelvertaalwerk, werd Middelkoop minstens zo geraakt door de vitaliteit van de kerk in Tanzania. “Wij hebben natuurlijk een lange kerkgeschiedenis. We beschikken over veel theologische kennis en eeuwen van bezinning. Maar wat mij trof, was de enorme levendigheid van de kerk daar.”
Tijdens een ontmoeting met verschillende kerkleiders ontstond een open gesprek over de situatie van de kerk in Afrika én Europa. Eén moment staat hem nog helder voor de geest. “Aan het einde bad een van de kerkleiders voor de dying church in Europe, oftewel de stervende kerk in Europa.”
Hij valt even stil. “Dat kwam wel binnen.”
Hoewel de woorden confronterend waren, kon hij ze moeilijk weerspreken. “Als je alleen al naar de cijfers kijkt, zie je dat de grafieken in Europa al decennialang naar beneden wijzen. Dan is zo’n gebed wel heel confronterend.”
Het riep bij hem vragen op over de kerk in het Westen. “Zijn wij eigenlijk nog wel zo wervend als de kerk in Afrika is? Of hebben wij met al onze welvaart toch de afgod van de economie heel sterk lief gekregen?”
Natuurlijk, zegt hij, kennen Afrikaanse christenen eveneens hun zorgen en belangen. Toch ziet hij een verschil. “Ik denk wel dat de gemiddelde Afrikaan veel sterker afhankelijk van God leeft dan wij. Onze welvaart doet ook iets met ons geloofsleven.”
Radicaal gekanteld
Daarom pleit Middelkoop voor wederkerigheid. De tijd dat Europa zichzelf als vanzelfsprekende gever zag en Afrika als ontvangende partij, is volgens hem voorbij. “Het idee dat wij het hebben en het wel even naar hen brengen, is echt radicaal gekanteld.
Europa heeft volgens hem veel te bieden: eeuwen van theologische bezinning, kennis van de Schrift en van de grondtalen. “Daarmee mogen we de wereldkerk dienen. Maar tegelijkertijd: wat kunnen wij ontzettend veel van hen leren.”
Hij zag in Tanzania een kerk die groeit, missionair is en een levende geloofspraktijk kent. “Je gaat het nog beleven, en in zekere zin gebeurt het al, dat de zending ook andersom op gang komt. Dat mensen vanuit Afrika naar Europa komen om het Evangelie te brengen.”
Dat vraagt volgens hem om bescheidenheid. “Wij hebben Afrika heel hard nodig.”
Geestelijke strijd
Een van de terreinen waarop Afrikaanse christenen de kerk in Europa iets kunnen leren, is volgens Middelkoop het besef van de geestelijke werkelijkheid. “In delen van Afrika leeft veel sterker het besef dat er een geestelijke strijd gaande is.”
Dat heeft volgens hem te maken met de culturele achtergrond. “Van oudsher leeft daar veel sterker het besef van krachten, geesten en machten. Mensen weten dat er meer is dan alleen de zichtbare werkelijkheid.”
Europa is dat besef voor een belangrijk deel kwijtgeraakt, denkt hij. “Door de Verlichting is die hele bovennatuurlijke werkelijkheid bij ons naar de achtergrond verdwenen. We weten vanuit de Bijbel wel dat de duivel bestaat en dat er demonen zijn, maar eerlijk gezegd houden wij daar in ons dagelijks leven nauwelijks rekening mee.”
Juist daarin kunnen Afrikaanse christenen volgens hem iets meegeven aan de kerk in Europa. Andersom blijft er eveneens iets te delen. “Wij zijn al eeuwenlang bezig met de Schrift. Daardoor hebben we ook veel theologische bezinning ontvangen. Dat mogen wij op onze beurt weer doorgeven.”
Missio Dei
De reis heeft Middelkoop ook geholpen om opnieuw na te denken over zending. “We spreken vaak over ónze zending. Maar eigenlijk klopt dat niet.”
Hij verwijst naar een bekende uitdrukking uit de missiologie: Missio Dei, de zending van God. Dat verandert volgens hem het perspectief. “God is Degene Die handelt. Hij bouwt Zijn Koninkrijk. Wij worden daarbij ingeschakeld, maar wij zijn niet de primaire actoren.”
Dat besef sluit aan bij wat hij in Tanzania zag. Het Bijbelvertaalwerk wordt niet simpelweg vanuit Nederland naar Afrika gebracht. Tanzanianen dragen het werk zelf, terwijl christenen uit andere delen van de wereld hen ondersteunen. Tegelijkertijd heeft de kerk in Europa zelf iets te ontvangen van de kerk daar.
Eén lichaam van Christus
Wat Middelkoop uiteindelijk misschien nog wel het meest heeft meegenomen uit Tanzania, is de ontmoeting met individuele christenen.
Hij denkt terug aan een medewerkster die al jarenlang betrokken is bij het Bijbelvertaalwerk. “Ze maakte persoonlijk een moeilijke periode door. We zijn ongeveer even oud, maar onze omstandigheden verschillen enorm. Toch ervoer ik een diepe verbondenheid in Christus. Dat laat je niet zomaar los.”
Juist die ontmoeting liet hem opnieuw zien wat de wereldwijde kerk is. “Wij leven in een heel individualistische cultuur. In Tanzania is het veel meer een wij-cultuur. Toch ervaar je dezelfde Heere, hetzelfde Evangelie en dezelfde hoop.”
Hij noemt dat misschien wel de belangrijkste les van de reis. “Het is goed om soms buiten je eigen cultuur te kijken. Dan ontdek je opnieuw hoe groot Gods kerk eigenlijk is.”
“Vanuit de hemel gezien vormen we één lichaam van Christus,” vult hij aan. “Dan vraagt de Heere Jezus eigenlijk via die ander: ‘Wat doe je nu met Mij?’ Als wij eraan kunnen bijdragen dat mensen Gods Woord in hun eigen taal ontvangen, laten we dat dan vooral doen. Want ik geloof dat God werkt door Zijn Woord.”





































Praatmee